|
VALKENBURG a/d RIJN, 28 Dec.1940.
"En nu blijft geloof, hoop en
liefde, doch de meeste van
deze is de liefde."
1 Cor.13:13.
Aan gemeenteleden, familie en vrienden.
Een woord op den Oudejaarsavond 1940.
In ons aller leven zijn momenten waarop we gebracht worden aan de grens van den tijd. Het zijn de momenten waarop we ontdekken en telkens als opnieuw ontdekken: waar blijft de tijd ! Het wonderlijke is dat we dat steeds weer opnieuw ontdekken. Dat we, levend in den tijd ons niet permanent bewust zijn van de snelheid van den tijd en van de tijdelijkheid van den tijd.
De Oudejaarsavond is wel hèt oogenblik waarop ieder menschenkind iets ontdekt van het: "duizend jaren als een gedachte".
De Oudejaarsavond is als een seinpaal langs de spoorbaan. De snelheid waarmee de trein zich voortbeweegt bemerken we eerst goed wanneer hij zoo'n seinpaal voorbijsuist. Alleen als we in den trein zitten drukken we het doorgaans anders uit. We zeggen dat de séinpaal voorbijvliegt. Dat "spraakgebruik" is merkwaardig genoeg om op te merken. Immers het weerspiegelt een van onze meest natuurlijke trekken. In het dagelijksche leven spreken we ook van tijd die "voorbijgevlogen" is, en we constateeren dat aan feiten en gebeurtenissen die ons gepasseerd zijn. De werkelijkheid is echter veeleer dat wij met de tijd de gebeurtenissen gepasseerd zijn.
We zien op den Oudejaarsavond door ons levensvenster naar buiten, houden even de adem in, om dan de verzuchting te slaken: wat is dat jaar snel voorbij. Wat we niet zien is dat we zèlf met het jaar voorbijgaan, dat we zèlf opgenomen zijn in de snelle maalstroom van den tijd. Zoo weinig zien we dit dat heel ons streven van nature is: 'n blijvende woonplaats in deze wereld te bouwen. En we raken ons leven lang niet uitgebouwd. Maar het bouwwerk blijft voortdurend bouwvallig en op de meest onverwachte oogenblikken storten er gedeelten in. Dat hebben we allen in 1940 ervaren. Dan is er teleurstelling, verdriet, wanhoop.
Bouwvallig zijn onze vastigheden, omdat er in deze wereld binnen onze mogelijkheden en werkelijkheden geen plekje is waar de tijd met z'n alles meesleurende vaart aan voorbijgaan kan. "Niets is hier blijvend, alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan".
Merkwaardig toch dat wij ons steeds tegen de tijd en de vergankelijkheid verzetten. Tijd beteekent dat het een einde neemt, voorbijgaat, sterft. Tijd en dood behooren onafscheidelijk bij elkander. We wéten het wel, maar willen er maar geen rekening mee houden. We willen er niet aan. Dat zegt mij dat deze twee: tijdelijkheid en dood, eigenlijk niet bij ons thuishooren. Ze passen niet bij onze aard, bij onze natuur. Daarom verzet ieder mensch er zich van nature tegen. Als het tot onze natuur behoorde zouden we geen doodstrijd kennen. Dan zou er op den Oudejaarsavond niet zooveel weemoed, en ook niet zoveel wanhoop zijn.
Dat tijdelijkheid en dood niet tot onze natuur behooren heeft de wereld zelf me niet geleerd. Die komt niet verder dan de stomme berusting in het noodlot. Neen, God openbaart mij in Zijn Woord hoe het toch zit met die banden waarmee we gebonden liggen in vergankelijkheid en dood. God spreekt van de Schepping van den mensch in Zijn Beeld. Van dood is daar geen sprake, ook niet van vergankelijkheid van des menschen bestaan. De mensch staat daar in den tijd, nochthans niet opgenomen in de maalstroom van den tijd. De booze echter, wiens eenige doel het is te vernietigen wat uit Gods hand komt, staat gereed om z'n klauwen uit te slaan naar deze beelddrager Gods om hem van zijn heerlijkheid te ontdoen, om hem uit dat beeld uit te trekken. Hij doet dat niet met geweld maar door de verleiding. Hij zaait twijfel en leugen in dat menschenhart en troont het zoo langzaam mee. Ondanks Gods waarschuwing: Daar ligt de geweldige tijdstroom, waar vergankelijkheid en dood heerschen. Blijf daar vandaan opdat die stroom u niet meesleure en gij de dood vindt. Nochthans heeft de mensch zich laten verleiden. En als hij gegeten heeft van de boom ontdekt hij dat God gelijk had en dat hij verleid is. Maar die ontdekking komt te laat. Dan is de mensch uit het Beeld Gods uitgevallen en terechtgekomen in die geweldige maalstroom van den tijd.
Daarom zijn we met al wat aan ons is aan de vergankelijkheid onderworpen. De wereld gaat aan die zondeval voorbij en wil derhalve niet erkennen dat de dood niet behoort tot de menschelijke natuur. Ze blijft gevangen in de greep van den verleider en meent tegelijk God te wezen. Daarom meent ze met haar arbeid en haar denken de tijd te kunnen trotseeren en ziet niet dat de kracht daartoe haar ten eenemale ontbreekt. Hoewel de ervaring, heel de geschiedenis der menschheid dat toch wel heel duidelijk te zien geeft. Daarom ook weet ieder mensch wel dat hij sterven moet maar wil er niet aan. Hij bouwt maar en bouwt maar, en vecht voor zijn bestaan en meent houvast te krijgen aan dit en aan dat, maar noch in hem noch buiten hem is er in de wereld eenig steunpunt te vinden dat hem kan redden van de vloek der vergankelijkheid.
Ja, bouwvallig zijn onze vastigheden. We meenen dat ons behoud verzekerd zou zijn wanneer we vast konden houden wat we in goede oogenblikken hadden. Daarom speuren we op den Oudejaarsavond zoo zorgvuldig naar allerlei wat ons bleef. We klemmen ons, wanneer de oorlog ons geen schade bracht, wellicht vast aan het feit dat "we allen nog gespaard zijn". Maar welke garantie geeft dat voor de dag van morgen? We klemmen ons misschien vast aan het optimisme waarmee we gelooven dat de oorlog spoedig ten einde zal zijn. Maar ook dat zal de vergankelijkheid niet doen ophouden. De tijd drijft ons voort. En in die tijdstroom is niets waar we ons blijvend aan kunnen vasthouden, hoe goed en hoe hecht het ook schijnt, en hoe we er ook voor vechten.
Ik zag menschen staan bij de puinhopen van hun huis. Hun woonplaats, de plek waar ze op aard de pinnen ingeslagen hadden, de plek waar ze zich thuis wisten, waar ze gebouwd hadden aan hun behoud, aan hun geluk. Waar alles zoo vertrouwd was en zoo hecht leek. Waar ze zich veilig gevoelden. Weg alles. Hun blikken gingen over de ruine heen. Voorbij..... slechts herinnering: hier stond dit, daar was dat. En ze zochten of ze tusschen de puinhoopen nog iets terug konden vinden van hun thuis. Ze vonden nog wel wat en koesterden het en namen het mee, maar slechts als herinnering aan wat was.
Zoo zullen velen aan het einde van 1940 staan bij de puinhopen van hun leven. Granaten en bommen, machtsinstrumenten van den booze, hebben hun verwoesting aangericht. Ze hebben niet alleen gebouwen en heele steden vernietigd, maar ook duizenden menschenlevens verscheurd en in millioenen menschenharten wonden geslagen, die de tijd nimmer heelen zal. Veel is hun ontnoomen. Wat hun zoo lief was. Een broer of zuster, vader, moeder of man. Of misschien allen. Waar ze op steunden: hun aardsche goed. Veel is ons volk ontnomen. Toen het jaar begon zochten we nog houvast aan allerlei dingen: aan het feit van onze neutraliteit, aan het aanzien waarin we stonden, (en staan) in heel de wereld, aan de goede beloften der naburige volken onze neutraliteit niet te schenden. Maar ze zijn ons alle uit handen geslagen. Het bleken geen dingen te zijn die de tijd kon verduren. En als we in de puinhopen zoeken, vinden we slechts.....herinnering.
Wanneer ik dit zoo neerschrijf overvalt me een groote somberheid en troosteloosheid. Immers durven we voor de toekomst ons aan geen aardsche dingen, of het nu beloften zijn of feiten of menschen, meer vast te klemmen om ons daaraan boven de somberheid uit te heffen.
Toch zoek ik op den Oudejaarsavond de somberheid niet. Het zou U en mij tot wanhoop brengen. Neen. Ik zoek blijdschap. En die blijdschap zal er zijn wanneer er in deze vergankelijkheid, die zoo onmeedoogenloos en zoo wreed is en het in het afgeloopen jaar wel heel erg geweest is, iets is dat blijft. Iets dat de tijd trotseeren kan, iets dat me uitheft boven de razernij van deze wereld, iets dat me ontrukken kan en ontrukken zal aan die geweldige tijdstroom die de wereld naar haar ondergang voert.
En ik heb die blijdschap gevonden. 'k Zeg het eigenlijk verkeerd. 'k Heb de blijdschap opnieuw gevonden zooals ik haar nog nooit gevonden heb. Niet in de stille rust van mijn studeerkamer of op een mooie zomersche dag in de duinen. Neen, midden in de branding van de tijdstroom. Ik heb de blijdschap opnieuw gevonden de tweede nacht van den oorlog. 'k Was hier in Valkenburg in het hospitaal dat vol lag met gewonde Hollandsche en Duitsche soldaten. Met 'n zekere huivering en onzekerheid was ik de arbeid daar begonnen. Onzeker omdat we allen overweldigd waren door de ontzetting van de oorlog en het ontzaggelijke lijden waar we zoo ineens middenin gezet waren. Onzeker vanwege de onrust in eigen hart. 's Nachts stond ik bij een doodelijk getroffen Hollandsche jongen. Ik sprak met hem op gedempten toon, om de anderen niet te storen. Mijn woorden waren de woorden van het Evangelie. Ik sprak hem van Jezus Christus en hij dronk die woorden in. Maar ik kon het niet gelooven, overweldigd als ik was door het vreeselijke lijden dat ik zag en vanwege de onzekerheid in eigen hart. Terwijl ik met hem sprak en met hem bad voerde ik zelf een innerlijke strijd. Hij bad alleen door. Hardop. 'k Zal het nooit vergeten. "Mijn" woorden, "mijn" gebed hadden hem tot rust gebracht. (Maar het waren niet mijn woorden: Gód had ze me doen spreken ondanks mezelf). En nu werd hij zooals hij daar lag en bad: "Kom Heere Jezus, kom dan en neem me zooals ik ben, ik kan niet anders en Gij hebt het toch beloofd", en zooals hij me toen aankeek en zei: "Dominee, nu heeft de Heiland m'n pijn weggenomen, nu kan ik het dragen", - mij tot een machtig getuige. Naast hem lag een gewonde Duitsche soldaat. Eerst lag hij wat te dommelen toen had hij naar ons liggen luisteren. Hij had ons zien bidden en als vanzelf ook z'n handen gevouwen. Hij vroeg me: "Sind Sie denn der Pfarrer?" Hij vroeg het met een tinteling van hoop in z'n oog. Hij had niet veel verstaan van wat we met elkander gesproken hadden, maar hij had de naam van Christus gehoord. 'k Vroeg hem of hij Hem ook kende. "Ja, Christus ist Herr"...... Ik stond met beschaamde kaken. We keken elkander aan en zij keken naar mij als naar "de Dominee". Maar ik keek naar hen als naar twee getuigen, die mij getuigenis hadden afgelegd van hun geloof en hun hoop. Weg was m'n onrust, weg m'n onzekerheid, weg m'n "de Dominee" zijn. Daar waren we op dat moment met z'n drieën midden in de ontzetting van de oorlog, midden in die "hel", maar we zagen niemand dan Jezus alleen.
Ik werd weggeroepen naar een ander in een ander lokaal. 'n Jongeman in doodsstrijd, vol angst. Hij lag hier in Valkenburg te worstelen met de dood en riep om z'n vrouw en z'n kind, die in Oegstgeest woonden. Het angstzweet parelde op z'n gelaat. Twee oogen in doodsangst staarden me aan. Toen kon ook ik getuige zijn van de hoop die in me was.
Die blijdschap is wel telkens bij momenten verdwenen door angst, twijfel en onrust. Niet alleen toen ik m'n vrouw naar de kelder van de pastorie bracht, waar ik toen zelf ook vastgehouden werd, en een granatenregen over ons huis heenfloot, waarvan we achteraf hoorden dat hij voor ons huis bestemd was. Maar ook na de oorlog, toen ik van m'n werk in de gemeente weggeroepen werd bij m'n vrouw en de blijde verwachting van de kinderzegen ons zoo plotseling, en dat voor de tweede maal ontnomen werd.
Nochthans hoe vaak de onzekerheid en de twijfel het bij ons ook winnen van de blijdschap in Christus, ondergaan zal die blijdschap nooit. Uiteindelijk zal ze het altijd weer winnen en overwint het ook iedere dag. Ondanks alles, ook ondanks de tegenslagen en klappen die wij in de tijdstroom van 1940 opliepen en ontvingen, heeft de blijdschap gezegevierd en danken we samen God dat Hij in Christus DE Rots van ons behoud is en blijft tot in der eeuwigheid.
Die blijdschap is het die ons, aan het einde van dit jaar, in deze donkere wereld, vervult.
Er IS in deze wereld, in deze vergankelijkheid, in dit "huis van de booze" "iets" dat blijft. Maar dat "iets" ligt niet in het verlengde van ons denken, willen en werken. Wij zijn met heel ons leven, met heel ons hart incluis, opgenomen in de stroom die naar de dood voert. "Wij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods"(Rom.2:23). Dat blijvende ligt niet in het verlengde van ons Ik, niet in de ideeën der menschen. Daarvan geldt het woord: "Verschijnt maar een oogenblik, 't verdwijnt in haasten eeuwiglijk". Neen, in het verlengde van ons Ik ligt alleen maar duisternis en dood. (De bezoldiging der zonde is de dood" Rom.6:23). Met al het onze zijn we op een doodloopende weg. Maar die God uit Wiens Beeld wij gevallen zijn en terechtgekomen in de dood, WIL NIET dat wij in die stroom omkomen. Dáár ligt de grond van dat wat blijft. En God wil het niet alleen, Hij doet het ook. Dat is de groote blijdschap van het Kerstfeest. Het Woord Gods is vleesch geworden. Dat Woord, die Liefde, die Kracht, die Wil, die de wereld geschapen heeft, stort zich in de tijdstroom. --- Jezus is geboren ---.
"Het volk dat in de duisternis wandelt zal een groot licht zien, degenen die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.... Want een Kind is ons geboren, een Zoon gegeven en de heerschappij is op zijn schouder; en men noemt Zijn Naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der Eeuwigheid, Vredevorst;..... aan de grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn." (Jes.9:1-6).
De heerschappij IS op zijn schouder. Geen tirannie, geen ten koste van den naaste doordrijven van eigen-wijsheid en heerschappij van het Ik.
Het is een wonderlijke Heerschappij: "Want Hij is als een rijsje voor Gods aangezicht opgeschoten en als een wortel uit de dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zoo was er geen gestalte dat wij Hem zouden begeerd hebben".
Het is Heerschappij der Liefde: "Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen". "Hij heeft zichzelf vernietigd, de gestalte van een dienstknecht aangenomen hebbende".
Het is door-ons-miskende Heerschappij: "en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht".
Nochthans is het Heerschappij der Liefde-jegens-ons: "Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op zich genomen, onze smarten heeft Hij gedragen; Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden.
Ja, Zijn Heerschappij is sterker dan de macht van den booze. Hij is als sterkere in het huis van den sterke ingegaan (Marc.2). Hij is als Redder in de stroom gesprongen. Hij is gekomen in ons vleesch, in onze banden, in onze dood, maar Hij was sterker dan de stroom. Hij was machtiger dan de dood. Wij lieten God los, daarom zijn we in nood. Hij kwam in onze nood maar liet God niet los. Zoo heeft Hij volbracht waartoe wij de kracht hopeloos verspeeld hadden. De stroom van den tijd heeft Hem niet ten prooi mee kunnen voeren, want Hij was de sterkere. En Hij heeft het voor ons volbracht. Hij heeft overwonnen door de Heerschappij der Liefde. En die Liefde ging uit naar óns.
Ja, Jezus IS Overwinnaar. Midden in de tijdstroom staat Hij als de Rots. Die Rots staat eeuwig vast: zoo staat geen berg, geen rots.
Deze wetenschap nu, dat Jezus Overwinnaar is, geeft mij - zonder meer - de blijdschap niet. Mijn blijdschap ontspringt daar waar ik aan die wetenschap houvast heb, zoo dat ik het weet: Jezus MIJN Overwinnaar. Dat houvast kreeg ik en krijg ik iedere dag opnieuw wanneer ik me met heel mijn zoo-zijn van nature gewonnen geef aan de Heerschappij van Zijn Liefde. Dan word ik door die Liefde overweldigd, dan wordt het geloof levend en krachtig, dan bloeit de hoop op. Dan zie ik op DE Rots en zing ik het uit: "mij ook heeft Hij aangenomen".
"Alzoo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe".
Een ieder die gelooft. Geloof dat is aan het einde van onze mogelijkheid Zijn mogelijkheid erkennen; dat is in Zijn armoede onze armoede belijden; in Zijn kruis onze straf erkennen. Geloof dat is met onze ziekte, zonde, leed, nood en dood naar Hem heengaan. Immers Hij heeft gezegd: "Komt allen tot Mij, die vermoeid en beladen zijt en ik zal u rust geven". Ja, het geloof blijft, omdat Gods Liefde in Christus blijft. Ja, 'k geloof en daarom zing ik, daarom zing ik U ter eer. 's Werelds Heiland, Hoogepriester, aller Heeren Opperheer'.
"Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt...." (Hebr.11:1). Hoop dat is het andere dat blijft. Als ik bij doodzieke menschen kom, hoor ik zoo vaak zeggen: zoolang er leven is, is er hoop. Daar troosten wij menschen ons mee. Maar wat 'n ijdelheid en leegheid. We hopen op betere tijden, maar die betere tijden geven geen vervulling van onze hoop, want dan hopen we weer. Alle hoop die we bouwen op menschen en op de dingen der wereld is ijdel. Omdat ze geen grond vindt. Omdat de dingen waarop we hopen niet blijvend zijn maar ook liggen in de dood.
"De hoop van hem die God vergeet, zal vergaan; zijn hoop zal verkwijnen, en zijn vertrouwen zal zijn als een huis van de spinnekop"(Joh.5:13v) Waar geloof is daar is hoop. Deze twee behooren onlosmakelijk bij elkaar. Geloof én hoop. Die gelooft zál niet verderven, maar zal zalig worden. Hij zal met Christus opstaan uit den dooden. Hij zal verlost worden van den booze, verlost worden van de tijdstroom der vergankelijkheid. Hij zál verlost worden: wij zijn in hope zalig. Thans in dit vleesch is het nog niet vervuld. De vervulling is er in Christus, maar mét de belofte: eenmaal zult gij kennen gelijk ook gij gekend zijt. Dat is de levende hoop die niet beschaamt. Zij wordt dagelijks gevoed en gewekt door het geloof dat ziet op Christus den Koning. Hij heeft het voleindigd en zal het voor mij voleindigen. Hij zal komen, Zijn Koninkrijk zal komen, en ik zal aan dat Koninkrijk des vredes deelhebben. Dat doet me zingen in de nacht van deze wereld: Die hoop moet al ons leed verzachten. Komt, reisgenooten, 't hoofd omhoog! Voor hen die 't heil des Heeren wachten, zijn bergen vlak en zeeën droog.
Geloof en hoop; zij blijven, omdat Christus blijft. Maar er is nog meer dat blijft: de Liefde. Zij is de meeste, of, zooals Luther vertaalt: de grootste. Niet zoo dat we moeten zeggen de Liefde is nummer één, de belangrijkste, en het Geloof is minder belangrijk. Neen, zoo niet. Paulus zegt over de verhouding van geloof en Liefde: "en al ware het dat ik al het geloof had zoodat ik bergen verzette, en had de Liefde niet, zoo ware ik niets". En over de verhouding van hoop en Liefde zegt hij: "De hoop beschaamt niet omdat de Liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest."
Als het geloof niet werkzaam is door de Liefde dan is het een dood geloof. Als de hoop niet opbloeit uit een hart dat vervuld is van de Liefde Gods dan is die hoop niet meer dan een zelfzuchtig begeeren.
En nu blijft geloof, hoop en Liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de Liefde. Het is de Liefde Gods. Ze geeft zekerheid aan het geloof en vastheid aan de hoop. Het is de Liefde Gods in Jezus Christus. Het is de Liefde die ons altijd een stap vóór is. Hij heeft ons eerst liefgehad.
Ziet, dat is aan het einde van dit jaar mijn groote blijdschap, te weten dat geloof en hoop niet door mijn kracht in stand gehouden worden, dan zou ik ze zeker heelemaal verliezen; maar dat Gods Liefde ze in stand houdt. Toch ben ik ze ook vaak alle drie kwijt. Het is wanneer ik zelf de leiding weer neem. En daar moet ik me elk oogenblik weer op betrappen. Dan zit ik vol twijfel, vol zorgen voor de toekomst, vol opstand wegens allerlei teleurstelling. Dan maak ik me bezorgd over land en volk en vorstenhuis. Dan zoek ik weer houvast aan allerlei meer of minder looze geruchten. Maar ook dan is Gods Liefde me weer voor. Dan mag ik altijd weer terug. Zijn Liefde en Genade zijn altijd grooter dan mijn grootste zonde.
Lief' in U is al ons leven,
Gij, Gij zijt ons hoogste goed.
Dan leg ik al wat mij 't harte deert, 't lot der wereld, 't lot van land en volk en vorstenhuis, Uw lot en ons lot, in Vader's hand.
De tijd snelt voort en wij snellen met de tijd daarheen. Geen houvast, geen hoop gebouwd op de wereld, geen hoop gebouwd op onze kracht. Duisternis alom. Maar God wierp de reddingsboei midden in de oceaan van deze wereld. Die reddingsboei blijft, gaat met ons mee: het Woord van God. Dát Woord gaat mee het eene jaar in, het andere uit. Dat Woord houdt mij gevangen in de Liefde Gods in Christus Jezus. Die Liefde Gods, die mij in het geloof de zekerheid geeft van de verlossing; die Liefde Gods, die mij in de hoop het Vaderland blij doet verwachten, die Liefde Gods doet mij en mijn vrouw aan het einde van 1940 blij zingen:
Snelt dan jaren, snelt vrij henen
Met uw blijdschap en verdriet.
Welk een ramp ik moog' beweenen,
God, mijn God, verandert niet.
Blijft mij alles hier begeven,
Voortgeleid door Zijne hand,
Schouw ik uit dit nietig leven
In mijn eeuwig Vaderland.
Die Liefde Gods doet ons bidden dat gij allen in uw hart met ons medezingt, en dat Zij U geleide in het nieuwe jaar. Opdat gij staat in het geloof en vasthoudt de belijdenis der hoop, U geborgen wetend in die Liefde Gods in Christus Jezus geopenbaard. Dan en dan alleen gaat het U wel.
Weest allen den Heiland bevolen,
Uw
(w.g.) Ds.W.VELDKAMP
P.S. Velen uwer hebben ons en onze Gemeente in het afgeloopen jaar verrast met een
gift voor een nieuwe kerk daar onze oude door het oorlogsgeweld verwoest is. We hebben God ervoor
bedankt. Ook in het nieuwe jaar houden we er ons voor aanbevolen. Misschien een Nieuwjaarsgift uit
dankbaarheid voor de ontvangen zegeningen? Mijn gironummer is: 337098.
-----------------------
|