"Een van de patrouille commandanten de dpl. Sergt. A.v.d.Schoor, 6e Compagnie van het 22e Depot-Bat. - adres - , heeft zich daarbij zeer onderscheiden. Hij nl. vergezeld van slechts een soldaat nl. de dpl. H.v.Straten 5e Compagnie v.h. 15e Depot-Bataljon, - adres- , via de voorzijde van het woonhuis, dat behoort bij de schuur, waarin de Duitschers zich verscholen op den zolder van die schuur gekomen. Hij zag toen door de trapopening een 12 a 13-tal Duitsche soldaten. op handige en koelbloedige wijze wist hij telkens als de Duitschers schoten gelijktijdig zijn pistool af te schieten, waarbij telkens, tot driemaal toe, een Duitscher trof en zwaar verwondde.
Doordat het geluid van zijn pistool samenviel met het schot van de Duitschers, bemerkten zij niet vanwaar die treffers kwamen. Toen de soldaat van Straten met zijn geweer een 4e Duitscher neerschoot, werd men attent op de Nederlandsche patrouille. Van der Schoor wist toen echter nog een Duitsche handgranaat, die hij op zolder van een gewonde Duitscher had gevonden, in de schuur tusschen de Duitschers te slingeren. Daar van der Schoor van buiten af hoorde roepen dat alles terug moest komen, omdat er mortiervuur op de schuur zou worden afgegeven, heeft hij het huis langs een dakraam verlaten om te waarschuwen, dat eigen troepen gevaar liepen en van Straten boven aan de trapopening ter bewaking achtergelaten. Inmiddels was het moreel der Duitschers blijkbaar zoodanig gezakt - een officier en een onderofficier waren 's morgens reeds gesneuveld - dat zij na de explosie  van den handgranaat de witte vlag uitstaken, waarna een negental Duitschers naar buiten kwam en zich aan ons overgaven. de verklaringen van de sergeant van der Schoor werden gedekt door de aanwezigheid van vier zwaar gewonden, welke ik in de schuur onmiddellijk na de overgave aantrof, en Later bij een nader onderzoek door de aanwezigheid van hulzen van onze pistool- en geweermunitie."