Op de laatste oorlogsdag lagen we in de duinen en kregen opdracht van onze bataljonscommandant, de majoor Cramer, ons terug te trekken op Katwijk en vandaar op te rukken naar Wassenaar, langs de grote weg, om daar een café of hotel, waar veel Duitsers of N.S.B.-ers zouden zitten, op te ruimen. We liepen in marscolonne: ik was bij de rechter voor-groep. Mijn sectiecommandant was Luitenant De Jong. Ik heb hem gevraagd of het niet beter was door de duinen te gaan dan langs de grote weg. Maar hij zei dat het bevel luidde over de grote weg. Ik heb toen gevraagd of we dan niet in naderingsmars konden gaan hetgeen na vragen aan de kapitein werd goed gevonden. We gingen met vergrote afstanden verder.
Tegenover het vliegveld, vlak voor de tunnel, kregen wij links, van 4 punten tegelijk vuur. We kregen van de Kapitein opdracht een ordonnans weg te sturen. Hij kwam uit mijn groep en kreeg van mij opdracht naar de watertoren te gaan en aan de artillerie, die daar zat, steun te vragen. Hij was nauwelijks 3 passen verder of van vier kanten werd er weer gevuurd. Op ons roepen naar hem kregen we geen antwoord. We namen aan dat hij gesneuveld was. Van de Luitenant moest ik een andere ordonnans sturen. Ik vroeg of ik persoonlijk mocht gaan aan de luitenant, waarop deze zei dat we dan samen zouden gaan. We hebben onze commando's overgegeven en zijn over het prikkeldraad gegaan, weggedoken achter helm. Al kruipende, zigzags gewijze zijn we, onder vuur, de duinen in gegaan. Na even te hebben uitgeblazen zijn we over de duinen gegaan en hebben de commandopost van de artillerie bereikt. Hier heb ik alles uitgetekend en het vuur is uitgebracht.