![]() |
Vliegveld Valkenburg |
Mei 1940 |
| Home | Vóór de Oorlog | Bevelvoering | 4e Regiment Infanterie | Mei 1940 | Verliezen | Documenten | Verdere informatie |
|
|
Res. Kapitein F.J.L. Berkenvelder. C.-MC-I-9R.I. |
|
Verklaring afgelegd door Res. Kapt. Berkenvelder. F.J.L. enz. enz. 2 Maart 1950. Op de eerste (De tweede, 11 mei.) oorlogsdag 1940 kreeg ik de opdracht met twee secties van mijn compagnie op te rukken langs de hoofdweg van Katwijk a/d Rijn naar Valkenburg. Dit was te ongeveer 17.00 uur. Op de gemeten afstand van 620 meter van Valkenburg heb ik het bevel tot vuuropening gegeven. Onmiddellijk hierna ontvingen wij vijandelijk vuur. De taak van de beide secties was de 1e compagnie tirailleurs, welke ten aanval trok, vuursteun te verlenen. De andere helft van mijn compagnie stond onder commando van de Luitenant Renalda. Ik heb hiermede geen contact meer gehad. Of de Luitenant Renalda vuur op eigen troepen heeft afgegeven, kan ik dan ook niet verklaren. De sergeant Nijholt en de korporaal de Haan hebben op deze dag geen feiten verricht welke vermeldenswaardig zijn. Op de tweede ( De derde, 12 mei)
oorlogsdag heb ik een uitgangsstelling ingenomen met mijn beide
secties aan den zanddijk vlakbij het dorp. Hier hebben de secties zich
ingegraven. Het lag in de bedoeling dat de B.C., de Majoor van der Schee, mede zou oprukken ter hoogte van mijn secties. Ik heb deze nacht echter geen contact met de B.C. kunnen krijgen. Ook de telefoonsectie van Staf-4R.I., welke aanvankelijk in het terrein aanwezig was, en ingedeeld zou worden bij Staf-I-9R.I., heb ik niet teruggevonden. Ik trof alleen de gasofficier aan op de plaats waar de Staf behoorde te zijn. 's Nachts ontving ik ook nog het bericht van de ordonnans van de B.C., dat zowel de Majoor als de Luitenant Nout gesneuveld waren. Voor het krieken van de dag echter is de Majoor van der Schee toch bij mij geweest en werd de aanval van de 1e compagnie ingezet, waarbij ik de tirailleurs met mitrailleurvuur zou steunen. Door de kijker heb ik een en ander
kunnen waarnemen. Wij hebben rechtstreeks vuur afgegeven. De secties lage geecheloneerd achter elkaar en de toestand was
door het vuur zeer hachelijk. Tot de luitenant Banga, die commandant van
één der secties was, zei ik toen: "Banga, hoewel ik geen bevel heb
tot terugtrekken, ga ik toch terug naar de zanddijk, want onze taak is
hier afgelopen, er valt geen vuursteun meer te verlenen". Na verloop van tijd, ik kwam af en toe bij kennis, zag ik een donkere vlek boven mij en dit bleek sergeant Nijholt te zijn. Deze vroeg: "Kapitein, kunt u lopen?" Hij heeft mij opgetrokken en steunende op hem zijn wij toen voetje voor voetje teruggegaan in de richting van de zanddijk. Ook toen weer werden wij onder vuur genomen. Hoe lang deze tocht duurde weet ik niet meer. Voor zover ik mij kan herinneren was alleen sergeant Nijholt bij mij. Aldaar aangekomen heeft de Bataljonsarts mij eerste geneeskundige hulp verleend en ik ben toen op een brancard door het terrein naar een berijdbare weg gevoerd. Aldaar werd ik op een bakfiets gelegd, welke door een hospitaalsoldaat voortgefietst werd. De naam van deze militair weet ik niet meer. Later vertelde men mij, dat hij mij in de bakfiets nog onder vuur geweest is. Het optreden van de sergeant Nijholt is m.i.
belangrijker dan van korporaal de Haan. Nijholt heeft rechtop met mij
gelopen en is voor mijn gevoel langduriger onder vuur geweest dan de Haan. Vermeldenswaard is tevens de dpl. sergeant Boomgaart, de sectiecommandant van sergeant Nijholt. Deze heeft zich uitstekend gedragen en hoewel geen bepaalde bravoure-stukjes geleverd heeft hij door zijn optreden tegen de vluchtende infanteristen, waarbij hij kans zag hen terug te wijzen naar hun plaatsen en indien er paniek was orde en rust te herstellen, er veel toe bij te dragen dat het niet een volkomen chaos ie geworden. 's
Gravenhage, 2 Maart 1950. |
NOOT : Feiten die aantoonbaar een vergissing waren, zijn cursief verbeterd.
Met: "Luitenant Renalda", bedoelde de Kapitein de "Luitenant Ringnalda" (S.C.1+ 4.-M.C.-I-9 R.I.).