|
Vliegveld Valkenburg |
Mei 1940 |
| Home | Vóór de Oorlog | Bevelvoering | 4e Regiment Infanterie | Mei 1940 | Verliezen | Documenten | Verdere informatie |
| Hoofdstukken deze pagina: |
|
Majoor Sas werd na de oorlog de rol van Cassandra toegedicht. Men vermoedde toen dat de Nederlandse regering in gebreke was gebleven ten aanzien van Sas' waarschuwingen. |
Majoor G.J. Sas.
Militair Attaché te Berlijn.
|
Majoor Sas had in 1932 de
Kriegsakademie in Berlijn gevolgd, en was al in 1936-1937 als Militair Attaché
in Berlijn geplaatst geweest. Hij keerde terug naar Nederland als
hoofd van de Afdeling Operatiën bij de Generale Staf.
Sinds april 1939 had hij terstond de vriendschappelijke contacten met zijn vriend, kol. Hans Oster van de Abwehr (Wehrmacht contraspionage), daterend uit zijn vorige verblijven, hervat en uiterst nuttige inlichtingen van hem ontvangen. De specifieke waarschuwingen met betrekking tot Nederland begonnen na de Duitse overwinning op Polen. Op 28 September 1939 was Sas op grond van zijn eigen waarnemingen tot de conclusie gekomen, dat na de voltooiing van de ten einde lopende oorlog tegen Polen, een aanval op het Westen onvermijdelijk was, en dat de Duitsers daarbij niet voor een tweede keer de fout zouden maken om de Nederlandse neutraliteit te respecteren. Ditmaal, zo schreef hij aan de generaal Reijnders (met afschriften aan de belangrijkste ministers), zouden zij het plan Schlieffen van 1911 uitvoeren, dat voorzag in de zwenking met een sterke rechtervleugel door Zuidelijk Nederland. Zijn tweede voorspelling was, dat over zes weken de spanning in het Westen zou beginnen. Hij onderbouwde zijn rapport met zeer veel argumenten uit eigen waarneming;
Kolonel Hans Oster. Voor de Nederlanders een
informant.
Alle conclusies door hem neergelegd in het rapport van 28 september 1939 zijn
bittere waarheid geworden; maar op dat ogenblik werden ze door heel
weinigen geloofd. In de loop van oktober werden 65 à 70 divisies uit
Polen overgebracht naar het westen en ten dele gelegerd in de buurt van de Nederlandse en Belgische
grens. Het ging daarbij uitsluitend om defensieve disposities, zo verzekerde de Kwartiermeester-Generaal von
Tippelkirch op 7 oktober aan Sas, en de Secretaris-Generaal van het Auswärtige Arnt aan de Nederlandse
gezant en de Belgische ambassadeur.
Maar zo ver was het op dat ogenblik nog niet, zo verzekerde Oster. En na zich nader er op te hebben geïnformeerd, bevestigde deze:
Sas maakte er een vaste gewoonte van zijn inlichtingen steeds door te geven aan de Belgische militaire attaché, Kolonel Goethals. Langs deze weg bereikten zijn waarschuwingen dus ook de Belgische Regering, maar iets later dan de Nederlandse. Bovendien werden ze op de Belgische ambassade door Goethals meestal van enige relativerend persoonlijk commentaar voorzien. Zijn zienswijze en karakter speelde derhalve een belangrijke rol t.a.v. de vorm waarin de waarschuwingen de Belgische Regering bereikten. Aldus was de alarmerende waarschuwing, die Sas ijlings aan de Belgische ambassade was gaan brengen, tenslotte aan Brussel overgebracht in een vrij geruststellende vorm.
Ook dit rapporteerde Sas aan de opperbevelhebber. Vanaf dat onheilsbericht, zo verklaarde Sas later, was zijn goede verhouding tot Generaal Reijnders als een blad aan de boom omgedraaid; jobstijdingen waren niet welkom. En zo ontstond er tussen Generaal Reijnders en Majoor Sas een verwijdering, die zich geleidelijk ontwikkelde tot een verbitterde tegenstelling over de al of niet juistheid van de waarschuwingen die Sas van zijn relatie kreeg. Ten einde zijn geloofwaardigheid te bewijzen, ging Sas een keer zelfs zo ver dat hij aan de Generaal onthulde dat zijn zegsman een hoge officier in het Oberkommando der Wehrmacht was. Deze onthulling was onvoorzichtig, maar verdedigbaar indien zij de Generaal had kunnen overtuigen. Het tegendeel was waar. Reijnders, en velen met hem, konden niet geloven dat een Pruisisch officier welbewust militaire geheimen zou verraden aan een officier van de potentiële vijand.
Sas werd over zo'n beetje alles waarvan Oster op de hoogte was geïnformeerd. Zo was hij ook een van de leidende figuren achter de plannen van de tegenstanders van het nazi-bewind, om een staatsgreep te plegen en de dictator daarbij om zeep te brengen. Onder de tegenstanders bevonden zich leden van Buitenlandse zaken, Abwehr, en een aantal hooggeplaatste militairen bij de Wehrmacht. De staatsgreep was op 29 september 1939
vastgesteld. Men zou de Kanselarij gewapenderhand bestormen
en de nazi-leider liquideren. Bij de Duitse Bu.za
kwam een dag eerder een telefoontje binnen: de
Engelsen en Fransen hadden de uitnodiging aanvaard
voor de conferentie van München. Zij
wilden nog één keer praten hoewel Hitler Oostenrijk
al bezet had en nu dreigde Tsjecho-Slowakije binnen te
vallen.
De oppositie werd na de mislukte aanslag op Hitler op 20 juli 1944 gedecimeerd. Het Volksgerichthof van de bruinhemden verslond die mensen, en hun bloedverwanten, die hun moraal en fatsoen al die jaren hadden weten te bewaren of weer hervonden hadden . Zij die ontkwamen aan het Volksgericht leefden negen maanden in vrees voor hun leven en familie. *
De waarheid, hoe ongelooflijk ook voor buitenstaanders, was dat Oster, tezamen met een aantal Duitse generaals, in die maand oktober plannen maakten om de dictator om het leven te brengen. Wekenlang droeg generaal Halder, chef van de Generale Staf, bij zijn bezoeken aan de Rijkskanselarij een geladen revolver in zijn zak met het doel om Hitler te vermoorden. En na 14 oktober gaf hij aan Groskurth, vertegenwoordiger van de contraspionagedienst in het hoofdkwartier te Zossen, en in het geheim leider van een verzetsgroep, opdracht een plan op te stellen voor een staatsgreep. Oster, zo is later gebleken, stelde tezelfdertijd een zgn., studie op, die tevens een plan van actie bevatte, alsmede een lijst van leidende nazi's die uit de weg geruimd moesten worden en een lijst van namen voor een nieuwe regering onder de voorlopige leiding van de voormalige stafchef Generaal Ludwig Beck. Deze lijst is in 1944 door de Gestapo gevonden, en waarschijnlijk in 1945 verbrand. Ook hielp hij een oproep aan liet Duitse volk redigeren, waarin
de ex-korporaal o.a. ervan beschuldigd werd onder schending van de neutraliteit van Nederland en België het offensief in het Westen te hebben bevolen, hetgeen slechts eindeloze ellende over Duitsland kon brenger. Nog sterker en overtuigender werd hetzelfde thema uitgewerkt in een
memorandum in die dagen opgesteld door zijn medestanders Kordt en Von Etzdorf onder de titel -Het dreigende
Onheil-. Tenuitvoerlegging van het plan voor van de korporaal een
offensief in het Westen. aldus dit betoog, zou het einde van Duitsland betekenen. De beslissing of die Belgische (en Nederlandse) neutraliteit geschonden zou worden betekende dus tevens de beslissing over het lot van Duitsland. Conclusie van het strijdschrift: het offensief moest voorkomen worden door de korporaal ten val te brengen. De consequentie, de staatsgreep ten uitvoer te leggen, trokken de Generaals echter niet. Dit alles was natuurlijk in Berlijn alleen aan de aanstichters en enkele potentiële deelnemers van het komplot bekend. Oster moet op 25 oktober het nieuws van de aanvalsdatum gehoord hebben en daarover in Zossen gesproken hebben met Generaal von Stülpnagel. Waarom bij Sas niet onmiddellijk omtrent de datum heeft ingelicht, is niet duidelijk, maar toch niet onbegrijpelijk, als men bedenkt dat hij zich in die dagen voor dienst in het hoofdkwartier te Zossen aan het Oostfront bevond, ongeveer veertig kilometer van Berlijn, terwijl Sas omstreeks dezelfde tijd van Berlijn naar den Haag reisde. Er kwam een storende element in die dagen uit den Haag. Op een goede, of beter gezegd kwade, dag verscheen in Berlijn de gepensioneerde lt. kol. G. Hodenpijl, die in de eerste Wereldoorlog Militair Attaché in Berlijn geweest was, en die nu, zo zei hij, eens een paar oude kennissen kwam opzoeken. Al spoedig bleek echter via een omweg over Den Haag, dat de overste tot opdracht had na te gaan hoe serieus de waarschuwingen van Sas moesten worden geacht. Het was een keurige en sympathieke oude heer, officier van de oude stempel, die echter geen flauw idee had van de doortrapte en keiharde gewetenloosheid van het regime. Dit bleek wel het duidelijkste uit wat hij ons vertelde over de manier waarop hij zijn inlichtingen inwon. De beste methode, aldus de overste, was gewoon op de man af te vragen: "Ik hoor allerlei verhalen dat jullie ons gaan aanvallen. Is dat zo?" Deze vraag had hij aan een paar Duitse oud-officieren, goede vrienden van vroeger, gesteld, Zijn vrienden hadden hem verzekerd dat zij daar niets van gehoord hadden. "En als er zulke plannen waren, dan zouden zij het me heus wel verteld hebben, aldus de overste, daarvoor ken ik ze goed genoeg." Eerst glimlachten wij wat schamper over de goedgelovige naïviteit van de overste - totdat bleek dat hij op grond van zijn aldus verkregen inlichtingen aan de overste van der Plassche van GS III (militaire inlichtingendienst) schreef, dat de berichtgeving van Sas niet au sérieux genomen moest worden, dat deze overspanning was e.d. Sas was er de man niet naar dat te laten passeren. Briesend van woede reisde hij naar den Haag
om te vragen of hij eigenlijk geloofd wordt en of het nog wel zin had zijn berichtgeving voort te
zetten. Op het Departement van Defensie in den Haag verzekerde Overste van de Plassche hem dat zijn berichten geloofd werden, maar de toenmalige kapitein Kruls bewees het tegendeel door hem een bulletin te tonen van de Inlichtingendienst, waarin de berichtgeving van Sas werd becommentarieerd en geridiculiseerd. "Als, de zaak zó wordt behandeld. is het beter dat ik wegga." was de conclusie van Sas. Met woede in het hart nam hij op 6 november de trein terug naar Berlijn. Daar op de ochtend van de 7e aankomende, vond bij In zijn hotel een dringende boodschap van Oster om onmiddellijk bij hem te komen. Sas gaf daaraan nog vóór de lunch gevolg. Hij trof zijn relatie, in tegenstelling tot diens gewoonte, in uniform, terwijl er voor de deur een militaire auto klaarstond. Opgewonden deed hij Sas mededeling van de beslissing van de korporaal voor het offensief in het westen:
In deze kleine groep deed Sas zeer geëmotioneerd, zoals hij later zelf getuigde verslag van de mededelingen van zijn informant. Sas kon daarbij niet weten dat dezelfde waarschuwing de Regering al op 4 november had bereikt van de kant van de Britse gezant in Den Haag,. Sir Neville Bland. Dit verklaart mede waarom de toehoorders zich veel minder verrast en onder de indruk betoonden dan Sas had verwacht. Met uitzondering van Dijxhoorn waren de heren, volgens Sas, uiterst sceptisch en zelfs min of meer sarcastisch over zijn berichten en zeiden zij bij monde van de minister-president, dat zij niet geloofden in zijn berichtgeving. Dit ergerde en enerveerde Sas nog meer, zodat hij op een gegeven ogenblik opsprong, twee vingers in de lucht stak en uitriep te kunnen zweren dat de aanval op de 12e zou doorgaan. IJzig antwoordde de Geer dat men geen eed kon afleggen op iets wat nog niet was gebeurd. Nog verder steeg Sas' wanhoop, toen hij in de loop van de volgende dag, donderdag 9 november, op het Departement van Defensie tot de conclusie kwam dat er eigenlijk helemaal geen afweermaatregelen werden genomen. Hij raakte toen in een ware gewetenscrisis, overtuigd als hij was, dat het offensief op zondagochtend zou losbarsten: hier stonden we een paar dagen voor een grootscheepse overval op ons land, hier was hij, Sas, die als Militair Attaché in Berlijn verantwoordelijk was voor de militaire berichtgeving, die volledig van de aanvalsplannen op de hoogte was, en de regering geloofde hem eenvoudig niet, althans zij deed niets. Daar kwam nog bij dat op diezelfde dag het bekende Venlo-incident plaats vond, waarbij de Britse agenten Payne Best en Stevens door Nazi's over de Nederlands-Duitse grens ontvoerd werden en luitenant Klop, een vroegere medewerker van Sas uit Berlijn, vermoord werd, Dit droeg nog verder bij tot de emotie van Sas, terwijl bovendien de mogelijkheid bestond dat hijzelf hierdoor indirect ook in moeilijkheden zou komen. Dit alles bij elkaar was voor Sas als goed vaderlander, als Nederlands officier op een sleutelpositie, bovendien een man met een zeer gespannen natuur, om gek van te worden. Radeloos zocht hij een weg om te bereiken dat er verdedigingsmaatregelen zouden worden genomen, Eerst begaf hij zich naar Admiraal Fürstner, commandant van de zeestrijdkrachten. Daarna wendde hij zich tot een man die op dat ogenblik geen regeringsverantwoordelijkheid droeg, maar voor vele Nederlanders in die dagen als het symbool van patriottisme en betrouwbaarheid gold: Colijn. Hij vertelde hem van de ontvangen inlichtingen en van zijn wedervaren bij de Ministers en het ongeloof op de Generale Staf, en bezwoer Colijn in geëmotioneerde bewoordingen te zorgen dat er iets gebeurde. Maar ook hem heeft Sas in zijn opgewondenheid niet kunnen overtuigen: 's middags telefoneerde Colijn aan Generaal Reijnders zijn nuchtere indruk, dat men geen geloof meest hechten aan Sas, aangezien deze volkomen over zijn zenuwen heen was.
Woedend begaf Sas zich naar de Generaal van Oorschot, maar van deze kreeg hij slechts harde woorden te horen. Dit was de nekslag voor Sas: men verbood hem zelfs zijn Vorstin te waarschuwen! Die zou hem wel geloofd hebben! Zij was een van de weinigen die het gevaar zag! Diep verslagen moest Sas er zich toe beperken zijn mededelingen te vertellen aan de Overste Phaff ter overbrenging aan H. M. Men kan zich echter wel indenken wat voor effect al deze ervaringen hadden op de toch al zeer opgewonden majoor; gebroken en verbitterd verliet hij het Paleis. Ook in de winter van 1939 op 1940 werd Sas regelmatig geïnformeerd door Oster. Telkens nieuwe data werden door hem gemeld, en door Sas prompt doorgegeven aan Den Haag, evenals zijn Belgische collega, kol. Goethals. Zo berichte kol. Oster op 22 november dat de aanval voorlopig uitgesteld werd tot mogelijk begin december en voegde hieraan toe Dat de Duitse inlichtingendienst een volledige studie had gemaakt van de Maasovergangen en van de Nederlandse maatregelen tot hun verdediging. Deze studie had het O.K.W. tot de overtuiging gebracht dat het heel gemakkelijk zou zijn zich van deze overgangen meester te maken, hetzij door actie van buiten, hetzij door actie van binnen uit (b.v. een verrassing door pro Duitse elementen). Hij betitelde dergelijke operaties als "kinderspel".
Hij adviseerde de aandacht van het Nederlandse opperbevel hierop te vestigen en het opblazen van zodanige kunstwerken niet alleen van
dichtbij, maar ook op grotere afstand mogelijk te doen maken voor het geval een brug in de buurt in handen van de
invaller zou vallen. Op de avond van 7 december ontving Sas een nieuw bericht Van Oster:
Het was niet de laatste waarschuwing die het gezantschap dat jaar in
vercijferde telegrammen naar Nederland zond. Op 15 december meldde Oster dat besloten was de beslissing opnieuw uit te stellen tot een volgende bespreking op 27
december. Dit bericht
was, naar achteraf gebleken is, gebaseerd op een order van Generaal Jodl enkele dagen
tevoren, inhoudende dat op 27 december beslist zou worden over de aanvalsdatum, die, aldus de
order, op zijn vroegst op 1 januari 1940 zou kunnen vallen. Deze gang van zaken vormde uiteraard koren op de molen van de ongelovigen in Den Haag. Dat men op de Generale Staf en in de regering op zijn minst sceptisch stond tegenover de waarschuwingen van Sas' relatie was uit het gebeurde rond de 12de november volkomen duidelijk, en nadien werd de scepsis begrijpelijkerwijs slechts nog groter. Ook Sas had dit met grote bitterheid ervaren, en op 5 december vroeg hij nogmaals aan Generaal Reijnders per brief of hij nu eigenlijk wel geloofd werd. Het antwoord kreeg hij bij een volgend bezoek aan Den Haag, toen de Generaal hem in een hooglopend gesprek woedend toebeet:
Het resultaat was dat Sas zou worden overgeplaatst, en door een gepensioneerd Ned. Indisch officier vervangen, maar dit stuitte af op krachtige tegenstand van de gezant Jhr. van Haersma de With. Sas bleef, en zijn waarschuwingen gingen door en werden in Den Haag nog minder geloofd, Men voegde er nu in de wekelijkse rapporten van de Inlichtingendienst zelfs een vaste alinea aan toe, zeggende dat men de bron van de berichten van de Militair-Attaché te Berlijn niet als al te geloofwaardig diende aan te zien.
Sommigen, vooral de gezant, bleven aan de waarschuwingen van Sas grote waarde hechten. Dat was niet alleen omdat
in Berlijn uit ervaring
de mentaliteit en het gewetenloze karakter van het verwerpelijk regime beter konden aanvoelen dan men in Nederland deed, maar ook omdat de inlichtingen van Sas
dikwijls werden bevestigd uit andere bronnen. Een daarvan was Graaf Albrecht von Bernstorff, vriend van de
gezant, die vanwege zijn anti-nazi-gezindheid door de
boevenbende uit de diplomatieke dienst was ontslagen. Deze kwam geregeld Jhr. van Haersma de With
opzoeken. Keren wij terug tot Sas' waarschuwingen in de winter 1939-40. Als gezegd, staat nu vast dat Hitler de aanvalsdatum voor Fall Gelb tussen 12 november en 9 januari acht keer, en tot mei 1940 in totaal minstens negentien keer heeft vastgesteld, en achttien keer weer heeft uitgesteld. Vrijwel elke keer kreeg Majoor Sas daarover bericht van Oster; elke keer waarschuwde hij den Haag, alsmede de Belgische militaire attaché, Kolonel Goethals, die zijnerzijds de waarschuwing naar Brussel seinde. En elke keer werd de aanval weer uitgesteld, leek het loos alarm te zijn geweest. En elke keer werd Sas' waarschuwing daarmee iets minder geloofwaardig, ook voor sommigen op het
gezantschap. Terwijl de gezant, als gezegd, bleef geloven in de inlichtingen van Sas' 'relatie', werden sommige leden van het gezantschap te Berlijn langzamerhand murw door de telkens herhaalde en niet uitkomende
waarschuwingen. Anderen bleven daaraan een
beperkte waarde hechten. Dat kwam overigens overeen met wat Oster meestal bedoelde, nl., dat de paraatheidsdatum of de beslissingsdatum voor Fall Gelb voorlopig was verschoven tot een bepaald tijdstip, maar dat de definitieve beslissing zelve of het offensief dan inderdaad zou worden
ingezet pas enkele dagen tevoren zou worden getroffen. Het element van verrassing was daarmee van vijf dagen tot acht uren ingekort, en op de datum van 9 mei had
Hitler derhalve nog tot 21.30 's avonds het aanvalsbevel, gesteld op 5.35 op 10 mei, kunnen
herroepen.
Tot januari 1940 waren alle waarschuwingen van Nederlandse kant gekomen en met name van Majoor Sas, soms bevestigd door andere waarschuwingen en dat deze waarschuwingen in Den Haag met skepsis werden opgevat. Maar ook de Militaire attaché, van de Belgische ambassade, Kolonel Goethals, telkens door Sas ingelicht, gaf deze waarschuwingen weliswaar consciëntieus door, maar meestal met uiterst voorzichtig en gereserveerd commentaar. In januari 1940 gebeurde er iets waardoor de rollen plotseling omgekeerd werden. Op 10 januari 1940 verdwaalde een klein Duits militair vliegtuig van het type Messerschmidt 108 op weg van Munster naar Keulen in de mist en maakte een noodlanding in België te Mechelen-aan-de-Maas, vlak bij de Nederlandse grens. De piloot en zijn passagier werden naar een nabijgelegen militaire post gebracht ter ondervraging. De passagier bleek te zijn Majoor Helmuth Reinberger, verbindingsofficier van de staf der parachutetroepen, die onvoorzichterwijs een aktetas bij zich had vol met geheime documenten, betrekking hebbende op de voorgenomen inval in Nederland en België, In de militaire post maakte hij van een onbewaakt ogenblik gebruik om de papieren uit zijn aktetas te rukken en in de vulkachel te gooien, maar met even grote tegenwoordigheid van geest wist de Belgische bewakingsofficier ze half verschroeid er weer uit te halen. De half verbrande documenten bleken een plan te bevatten voor een Duits offensief, lopende van de Moezel tot de Noordzee, inclusief een luchtlanding van een hele Duitse divisie bij Namen, en een aanval van het 6de Duitse leger ter hoogte van Maastricht, voorts een overzicht van de Belgische strijdkrachten in dat gebied, en een plan voor een bezetting van Nederland, met uitzondering van de vesting Holland.
Documenten die een ieder hadden moeten overtuigen, zou men zo zeggen. Allerminst! In België veroorzaakten ze in een kleine kring van ingewijden inderdaad grote ongerustheid, nadat de
Gen.majoor van Overstraaten, de invloedrijke militaire adviseur van de Koning, tot de
conclusie was gekomen dat ze echt waren. De Franse en Nederlandse bevelhebbers daarentegen hechtten er weinig waarde aan. Generaal Gamelin zei in een Franse hoofdkwartierbespreking op 12 januari, dat hij aan hun echtheid twijfelde, en Generaal
Reijnders zei openhartig tegen de Belgische militaire attaché: 'Ik geloof er helemaal niets van. Morgen doe ik alsof er niets van dit alles
bestaat.'
Nu het eerste alarm op zo'n overtuigende wijze uit België gekomen was en de relatie van Sas dit slechts bevestigde, kon zelfs Generaal
Reijnders zich niet permitteren het te negeren, zoals hij gewild had. Derhalve werd in de nacht van
zaterdag 13 op zondag 14 januari elke bewegingsvrijheid van de troepen stop gezet, en op Zondagmorgen werden alle nieuwe verloven verboden. Dit bericht, op het
lunch-uur per radio in Nederland bekendgemaakt, veroorzaakte vanzelfsprekend eenzelfde opwinding als destijds in november.
Dus weer loos alarm!!
Op 15 januari kwamen Hermann Goering, Generaal Keitel en Generaal Halder bij Generaal Jodl op
het O.K.W. om de weersvooruitzichten te bespreken, maar de chef van de meteorologische dienst kon geen goed weer beloven vóór Februari.
De ex-korporaal herhaalde een al in december verkondigde stelling, dat als men niet op minstens acht dagen mooi weer kon rekenen, het offensief tot de lente uitgesteld zou
moeten worden, en op 16 Januari trok hij eindelijk met tegenzin deze consequentie. Op 19 Januari
kon op gezag van Sas het sein worden gegeven dat het offensief was uitgesteld en geen nieuwe datum was voorzien. Na het
januari-alarm trad in Berlijn een periode van schijnbare rust in. Hoe schijnbaar die rust was, weten wij nu achteraf eerst
na de beide grote waarschuwingen en de tegenmaatregelen waartoe die hadden geleid, kwam
Hitler tot de conclusie dat, in afwijking van zijn vroegere
plannen, heel Nederland met één slag bezet moest worden, en op 15 januari gaf hij aan Goering bevel, plannen voor een luchtlanding in het hart van de vesting Holland uit te werken.
In diezelfde dagen kwam er een nieuw bericht van de informant van Sas.
Oster heeft niet de indruk dat een dergelijke beslissing zal worden getroffen vóór begin april. Zijn volgende bericht van 21 maart;
De toon is voorzichtiger geworden; de kern is niet veranderd sinds het laatste bericht.
Precieze aanvalsdata ontbraken ditmaal, maar de toon was nog klemmender geworden. Kennelijk wilde de geheime informant stelling nemen tegen de eerder gesignaleerde opvatting: er gebeurt in het Westen niets, het blijft een Sitzkrieg. Verder moet hij toch vrij goed geïnformeerd zijn geweest, want diezelfde middag had de Nazileider het groene licht gegeven voor de operatie 'Weserübung'. Dit was voor het eerst dat men hoorden van een mogelijke aanval op Scandinavië. De precisering liet niet lang op zich wachten. De volgende middag, op 3 April, kreeg Sas van Oster de mededeling dat Denemarken en Noorwegen in de eerste helft van de komende week bezet zouden worden. Onmiddellijk daarna zou het offensief op het Westfront worden den ingezet. Oster had gezegd:
Sas deed wat hij kon. Gezien de ernst van de toestand had
gezant in Berlijn instructie gegeven dat geen enkel codetelegram zonder zijn paraaf mocht uitgaan, en dus kon Sas wegens momentele afwezigheid van de
gezant niet onmiddellijk een codetelegram uitsturen, maar hij had een codeafspraak lopen met zijn vriend op de generale Staf in Den Haag, de kapitein
Kruls: Sas zou telefonisch de dag van de aanval aankondigen alsof het ging om een
diner-afspraak, waarvan de datum een maand later dan de aanvalsdatum zou worden gesteld. En dus belde hij
Kruls op en stelde hem voor om op 9 mei samen in Nederland te gaan eten, daarmee aanduidende dat de aanval op 9 april te verwachten viel.
(get.) HAERSMA
Om half elf klonken over de radio de fanfares gereserveerd voor belangrijke aankondigingen, en daarna het volgende bericht:
Het succes van de operatie 'Weserübung' was in het begin overdonderend.
De Deense regering, tot spoed aangespoord door het geronk van dreigend overvliegende Duitse bommenwerpers,
capituleerde terstond om bloedvergieten te voorkomen. In Noorwegen werd de hoofdstad meteen de eerste ochtend bij verrassing bezet, evenals de havens van
Narvik, Trontheim, Bergen en Kristiansand.
Zoals zo vaak, was de voorzichtig als "persoonlijk gevoelen" gekwalificeerde inlichting van Oster in oorsprong juist, maar door de feiten achterhaald. In een bespreking met Generaal Halder op 27 Maart had Hitler nl. de 14de April genoemd als mogelijke aanvalsdatum voor Fall Gelb. De definitieve beslissing zou echter, zoals Oster stelde, afhankelijk zijn van het verdere verloop van de operatie in Noorwegen. De bezetting van dat land verliep, na de eerste successen in het Zuiden, aanzienlijk minder vlot dan door de overvallers was voorzien. Koning Haakon en zijn kabinet trokken met een aantal troepen noordwaarts, waar de Engelsen bij Trontheim landden en zich ruim twee weken staande hielden. Bij Narvik werden de Duitse marine-eskaders in twee zeeslagen vernietigd door de Royal Navy en de stad door de Engelsen genomen. In de derde week van April was de stemming in Berlijn t.a.v. de Noorse expeditie dan ook volledig omgeslagen: in plaats van een verbluffend succes werd het thans een twijfelachtige situatie geacht. Geen wonder dat Oster op de zesde dag van de operaties aan Sas meedeelde:
De tegenslagen in Noorwegen hadden de plannen om onmiddellijk tot het offensief in het Westen over te gaan vertraagd. Dit had ons land nog een gelegenheid kunnen en moeten geven om zich met een uiterste inspanning in maximale staat van verdediging te brengen. Want het was nu boven elke twijfel bewezen dat de inlichtingen van Sas' relatie juist waren geweest en dat deze de diepste geheimen van de Duitse oorlogvoering aan Sas had doorgegeven. Wel werden op 9 April de verloven ingetrokken, maar anderzijds berichtte de Belgische Militair attaché in Den Haag op 4 April aan zijn regering dat GS III het bericht van Sas 'niet zeer ernstig opnam'. Ook Kolonel Goethals voegde bij het doorgeven van de waarschuwingen van Sas er aan toe, dat deze stamden 'van dezelfde zegsman die reeds meermalen met even grote zekerheid voorspellingen had gedaan die niet waren uitgekomen'. Er is geen enkele aanwijzing dat men na de zo verbluffend juist gebleken waarschuwing over de operatie 'Weserübung" meer waarde is gaan hechten aan de inlichtingen van Sas. Integendeel: toen Sas berichtte dat het offensief op het Westfront een maand was uitgesteld wegens het slechte weer en de ongunstige waterstand, terwijl weer en waterstand in feite gunstig leken, sprak men op GS III openlijk uit dat Sas het slachtoffer was van de zenuwenoorlog. Ook aan Sas' voldoening dat op 9 April de verloven waren ingetrokken, kwam al spoedig een einde doordat hij twee nieuwe klappen op het hoofd kreeg. De eerste was een brief van de opperbevelhebber, waarin deze Sas verweet zich in zijn telefoongesprek met Kruls niet te hebben gehouden aan de afgesproken code, waardoor in Nederland 'maatregelen waren getroffen en voorzieningen genomen, welke anders achterwege hadden kunnen blijven', aldus de Opperbevelhebber. Zoals boven vermeld, had Sas inderdaad in zijn telefonische boodschap geïndiceerd dat 'de aanval' op 9 April zou plaats vinden, doch had daarin uiteraard niet kunnen uitleggen dat een aanval op Denemarken en Noorwegen aan die op het Westen zou voorafgaan. Dit werd hem nu voor de voeten geworpen, op een ogenblik dat Sas in de opinie van zijn Berlijnse collega's (en van hemzelf) met zijn juist gebleken waarschuwing een 'einzigartige Leistung' had geleverd.
De tweede klap kwam van Buitenlandse Zaken. Er bevonden zich in Duitsland enkele
K.N.I.L. officieren op een dienstbezoek, en de vraag kwam bij Sas op of hij niet verplicht was deze Nederlands-Indische officieren op de hoogte te brengen van het dreigende gevaar dat zij, ingeval van een Duitse aanval op Nederland, in Duitsland vast zouden komen te zitten op een ogenblik dat ons land hen het dringendst nodig zou hebben. Na langdurig intern overleg was de unanieme mening op het
gezantschap dat het beter was het risico te lopen van een te vroege of misschien overbodige waarschuwing, liever dan het risico van het verlies van een paar waardevolle officieren op het kritieke ogenblik. De heren werden derhalve op hun rondreis ingelicht omtrent het dreigende
gevaar, en keerden snel naar Nederland terug.
Zó zeker was Sas dat de aanval op ons land nu spoedig zou komen, dat hij na overleg met zijn relatie besloot zijn vrouw en zoon vooraf naar een veilig oord te zenden, vanwaar zij t.z.t. naar Frankrijk of Engeland door zouden kunnen reizen. Op 11 April reden zij naar Zwitserland met Sas' dienstauto, die anders verloren zou gaan.
Op 24 April werd Sas opnieuw benaderd door Oster. Zijn mededelingen op die dag luidden:
Zoals wel meer, is deze inlichting van Oster later niet volledig juist gebleken, In zoverre dat in de bewuste brief van
dictator aan de schurk in Italië niet gesproken werd over een offensief in het Westen, en dat op dat ogenblik, toen de situatie in Noorwegen nog
kritiek was, nog geen beslissing was gevallen voor een offensief in de volgende week, lopende van 29
april tot 5 mei. Maar wat de kern van de zaak betreft was hij weer bijzonder dicht bij de waarheid: In Noorwegen keerden de krijgskansen juist die dagen ten gunste van de Duitsers, en op 27
april schreef Generaal Jodl in zijn dagboek: *
Hij adviseerde Sas echter het bericht nog niet direct aan den Haag door te geven, waar men het toch niet zou geloven, en het alleen nieuwe irritatie zou verwekken; het was verstandiger even te wachten om te zien wat er verder ging gebeuren. Sas volgde die raad op, maar gaf het bericht overeenkomstig zijn gewoonte wel door aan zijn vriend Goethals, die het naar Brussel seinde, met de gebruikelijke grote reserves.
Ook ditmaal hoefde men niet lang te wachten. De volgende dag, zaterdag 4 mei omstreeks twee uur 's middags, kwam er een verontrust en zeer geheim code-telegram van Buitenlandse Zaken in Berlijn binnen:
De waarschuwing was, naar later is gebleken, afkomstig van het Vaticaan, en vervat in een telegram van 3 mei van Kardinaal Maglione aan de Nuntius in Brussel en aan de Internuntius in den Haag. Paus Pius XII had het bericht ontvangen van Dr. Jose Müller, agent van de verzetsgroep van Admiraal Canaris bij het Vaticaan. Later is ook gebleken dat Z.H. eveneens de moed heeft gehad op 6 mei ook Engeland en Frankrijk te waarschuwen. Op die dag seinde de Britse Gezant bij het Vaticaan aan zijn regering:
In antwoord op de vraag van den Haag seinde Berlijn terug dat de mededeling volkomen bevestigd werd door een waarschuwing juist de vorige dag ontvangen door de Militair attaché, dat met de mogelijkheid van een aanval midden volgende week te rekenen viel.
De derde dag Zondag 5 mei bracht een paar verdere bevestigingen,
eigenlijk alleen indirecte aanwijzingen, maar daarvan moet men het in zulke omstandigheden soms hebben.
De vierde dag Op maandag 6 mei werden op het gezantschap verschillende berichten ontvangen die de eerdere aanwijzingen bevestigden. Ook de militaire indicaties, aangegeven op de kaart in de werkkamer van Sas, waren verre van geruststellend. Zij toonden de volgende dislocatie van de Duitse troepen langs de Nederlandse en Belgische grens:
Dat betekende een concentratie van ongeveer 73 Duitse divisies op het vermoedelijke front van Kleef tot Moezel! De Belgische ambassade had daarentegen een aanwijzing gekregen, dat het nog niet zover was: de Reichsregierung had nog niet het ultimatum klaar dat zij tevoren aan de slachtoffers wilde stellen. De gezant, J.G de Beus belde deze op en vroeg of
hij hem onmiddellijk kon spreken voor een dringende kwestie.
De vijfde dag Dinsdag 7 mei, de dag vóór de aangekondigde aanval, gingen
het gezantschap in Berlijn in gespannen afwachting in. En de nieuwe ontwikkelingen op die dag waren bepaald niet geschikt om
hen gerust te stellen. Na enige tijd gaf de
gezant de Beus het Duitse verzoek telefonisch door naar Buitenlandse Zaken, waar
hij van Roijen aan de lijn kreeg, en voegde er aan toe dat hij gedurende de middagpauze dienst zou blijven doen, zodat hij
hem ten allen tijde kon bereiken. Ook liet hij niet na in herinnering te brengen hoe lastig de
Duitsers de laatste tijd tegenover onze visumaanvragen geweest waren. Toen
de Beus de boodschap doorgaf aan Hofrat Reimke riep die ontsteld uit: 'Aber das ist sehr
einschneidend!' Dat paste aardig bij een bericht dat Sas diezelfde avond van Oster kreeg, namelijk dat de aanval vermoedelijk een dag zou worden uitgesteld, maar zeker vóór het einde van de week te verwachten viel. Oster adviseerde voorts te letten op de aankomst van een zekere Gesandter Kiewitz, die wellicht een persoonlijke boodschap voor Hare Majesteit zou overbrengen, en daarmee de voorbode van de aanval zou kunnen zijn. Dit werd door het gezantschap op dinsdagavond nog naar den Haag gecodeerd. In den Haag sliep men die nacht bepaald niet zo goed; men was daar nu wel danig ontdaan over de opeenvolging van drie omineuze berichten binnen twaalf uren: de nachtelijke waarschuwing van Sas'
relatie. De verloven waren ingetrokken, nieuwe lichtingen onder de wapens geroepen,
voorbereidingen getroffen, die de nodige opwinding in het land veroorzaakten. De zesde dag Woensdag 8 mei brak aan, grijs en somber - maar weer gebeurde er niets. Dus wéér vals alarm? Zoals bekend, is dit wat Nederland betreft niet gebeurd. Dat deze mislukking van de diplomatieke inleiding heeft bijgedragen tot uitstel van het offensief is niet uitgesloten, maar zeker is het niet de hoofdreden geweest. Die lag in de opnieuw ongunstige
weervoorspelling die op 7 mei om 12 uur aan de misdadiger werd voorgelegd. Met grote tegenzin gaf deze daarop aan Generaal Keitel opdracht het aanvalsbevel voor 8 mei op te schorten, onder toevoeging dat hij op die dag (8 mei) om 12 uur een nadere beslissing zou nemen.
De 8ste mei zijn de weerberichten nog steeds niet gunstig.
De misdadiger, wil niet langer wachten en op de 9de aanvallen, maar Goering insisteert dat de Luftwaffe absoluut zeker moet zijn van klaar zicht, juist in de eerste dagen. Woedend geeft
de ex-korporaal opnieuw toe om de aanval nog uit te stellen tot 10 mei 'aber keinen Tag
länger'- en Kiewitz wordt nog een dag vastgehouden.
De boodschap liet aan duidelijkheid niets te wensen over. De Duitse officier antwoordde beleefd dat hij niet zou nalaten de boodschap aan de bevoegde autoriteiten over te brengen ...
De zevende dag
Het bericht won aan waarschijnlijkheid door het duidelijk beterende weer. Bovendien waren de politieke weersomstandigheden in het westen uiterst gunstig voor een Duitse aanval: in Frankrijk was het kabinet-Reynaud demissionair over de positie van generaal
Gamelin, en in Engeland stond Chamberlain op het punt de ontslagname van zijn kabinet aan te bieden.
De laatste avond Uit de mededeling van Sas 'relatie'
was nu wel duidelijk, dat de aanvalsbevelen nog tot circa negen uur 's avonds herroepen konden worden. Majoor Sas lichtte als steeds zijn Belgische collega in en verzocht deze 's avonds om 10 uur op het Nederlandse
gezantschap te komen. Verder maakte hij een afspraak met Oster om hem 's avonds om 7 uur te treffen.
In afwachting van dat uur gingen Sas en zijn vriend op deze laatste avond samen in de stad eten,
niet zeer voorzichtig, maar dat waren zij van nature geen van beiden. Tijdens hun sombere laatste gemeenschappelijke maal stelden zij overigens met
voldoening vast, dat er tot nu toe geen enkele verdenking op hen was gevallen.
Er volgde een geëmotioneerd afscheid tussen de twee kameraden, die maandenlang alles op het spel gezet hadden om te
trachten het offensief in het westen en de overval op Nederland te voorkomen.
Tevergeefs, nu ging het lang voorspelde noodlot zich voltrekken, aan Nederland, aan België, aan Frankrijk.
Het enige wat de twee vrienden overbleef, was plechtig te beloven elkaar weer te zien na de oorlog,
wie weet, misschien nog diezelfde zomer, als verwachtingen van de nazi-leiding uitkwamen. Men
wist op het gezantschap immers van de aanvallen op Polen en Denemarken en
Noorwegen, dat op een gegeven ogenblik de telegraaf- en telefoonverbindingen van het gezantschap
met het aan te vallen land zouden worden afgesneden. Wilde men nog tijdig het laatste alarm doorgeven, dan
moest men de Duitsers vóór zijn. Sas had dit alles van te voren overdacht, en ook berekend dat het vercijferen van een codetelegram te lang zou duren. Op het
gezantschap aangekomen, greep hij daarom de telefoon en vroeg het Ministerie van Oorlog aan. Twintig minuten
duurde het, voor het gesprek doorkwam, 20 minuten, waarin de verbinding op elk ogenblik verbroken had kunnen worden.
Post Uiterweer herhaalde de boodschap, en voegde daaraan toe:
"Dus brief 210 ontvangen." Waarop Sas bevestigde; "Ja brief
210 ontvangen". In het gezantschap was bijna de hele diplomatieke staf, inclusief de Gezant zelf, verzameld. Er werd weinig gesproken.
In die woorden 'volgens hem' schuilden nog steeds de laatste resten van twijfel en reserve. * Philips De bedrijfsjurist van Philips, J. Hamming, was samen met Frans Otten, financieel en administratief directeur en schoonzoon van Anton Philips, belast met het opstellen van een evacuatieplan. Het plan hield in dat de productie-installaties voor de vervaardiging van de voornaamste Philips-producten overgebracht moesten worden naar Vesting Holland, de veilige plaats achter de Waterlinie. Voor het uitvoeren van dit evacuatieplan was hulp van het leger nodig. Daarom moest het plan goedgekeurd worden door de regering. De regering was bereid haar goedkeuring te geven, mits Philips ook voor het leger zou gaan werken. Hierop besloot het bedrijf de plannen te herzien. In de nieuwe versie werd slechts een deel van de machines – degenen die geschikt waren voor het fabriceren van wapens – vanuit Eindhoven overgebracht. In de zomer van 1936 gaf de minister van Defensie Colijn het nieuwe evacuatieplan zijn akkoord en werd medewerking van militaire zijde beloofd. Vanaf 1938 tot aan de mobilisatie, waar hij weer in actieve dienst
geroepen werd, was gen. b.d. Winkelman adviseur bij Philips betreffende
deze evacuatieplannen.
*
Nu zijn ze helemaal gek geworden.
Toen smeet hij driftig de telefoon op de haak. Op uitdrukkelijk verzoek van de gezant ging Sas terug naar zijn hotel, om er zijn tandenborstel en
pyjama te halen en terug te keren naar het Gezantschap om er te slapen; voor zijn veiligheid was dit beter. *
's Morgens om half zes Duitse tijd,
vijf minuten vóór X-Zeit dus (X-Zeit was 5 uur 35
Duitse tijd, 3 uur 55 Nederlandse), werd de Nederlandse
gezant, jhr. H.M. van Haersma de With, een
bedachtzame vijftiger, door een van de ambtenaren
van het Auswärtige Amt die bij zijn woning verschenen was, uit bed gebeld; die ambtenaar had een auto voor staan: of de gezant zich maar onmiddellijk met hem naar de Reichsaussenminister wilde begeven. Drie kwartier later
(het Duitse offensief was al in volle gang) trad jhr. van Haersma de
With bij von Ribbentrop de kamer binnen. Die overhandigde hem het opgestelde memorandum en legde er nog een schepje bovenop: hij beweerde nu, 'uit zeer betrouwbare bronnen te weten dat woensdagavond 8 dezer in Engeland troepen voor ons land hadden klaar gestaan' - troepen, dat was de suggestie, die in Nederland wilden landen. 'Biedt geen weerstand!' dreigde von Ribbentrop. 'Hij zei dat wij wèl moesten weten dat de
Führer een goed vriend doch ook een gevaarlijk vijand was.' *
Zijn laatste waarschuwing, open over de telefoon: 'Morgen vroeg bij het aanbreken van de dag!' was afgeluisterd en moest ze op een spoor gezet hebben. * Na de Duitse inval in Nederland en het verbreken van de diplomatieke betrekkingen verliet het grootste deel van het gezantschapspersoneel Berlijn om, via Zwitserland en het nog niet door de Duitsers bezette Parijs, in juni 1940 Londen te bereiken. In Londen bleek in juni uiterlijk verrassend weinig te merken van de oorlog: geen luchtaanvallen, geen rantsoenering, alles was nog volop te krijgen, zelfs benzine. Alleen de loopgraven die men in St. James Park aan het graven was, gaven te denken. Vrijwel alle leden van het Gezantschap uit Berlijn hadden elkaar teruggevonden. Vooral het weerzien met Sas was uiteraard emotioneel. Hij was nog steeds even verbitterd. Hij had, na alles wat er gebeurd was, een enthousiast, of althans waarderend, welkom van regeringskant verwacht, een uiting van erkentelijkheid voor zijn berichtgeving, en een ruiterlijke erkenning dat men ten onrechte aan de juistheid daarvan had getwijfeld. Maar niets van dat alles, er waren, ook onder de naar Londen uitgewekenen, té velen die boter op het hoofd hadden, en van hun kant was het weerzien koud en vormelijk. Sas was er de man niet naar om zijn ergernis daarover onder stoelen of banken te steken, en zo raakte hij al gauw vrij geïsoleerd. Hij werd aangewezen om begin september naar Canada te vertrekken om zich daar te belasten met de rekrutering en training van Nederlanders voor onze nieuw te vormen strijdkrachten. Gedurende
de rest van de oorlog had Sas nog verschillende conflicten met
regeringsinstanties. Niettemin ging zijn carrière door en bereikte haar
hoogtepunt met zijn benoeming tot Hoofd van de Nederlandse Militaire
Missie in Washington met de rang van generaal-majoor. Zijn huwelijk
overleefde de oorlog niet. De scheiding werd na een lange en onaangename
echtscheidingsprocedure uitgesproken in 1948 het bijzijn van Sas' toekomstige
nieuwe echtgenote.
In de avond van 20 oktober 1948 was het KLM toestel "Nijmegen" op weg van Amsterdam naar New York. De gezagvoerder van de Lockheed Super Constellation was de beroemde K.D. Parmentier die in 1934 met de Uiver de handicapklasse van de Melbourne race had gewonnen. Bij een tussenlanding in Prestwick, Schotland, probeerde de piloot eerst te landen op baan 32. Door sterke zijwinden besloot de gezagvoerder de landing op baan 32 af te breken en te landen op baan 36. Bij het cirkelen boven het vliegveld kwam het vliegtuig in een zware mistbank terecht en raakte een hoogspanningsleiding. Het toestel crashte 5 mijl van het vliegveld en de 30 passagiers en de 10 bemanningsleden kwamen om. Onder de slachtoffers waren generaal-majoor G.J. Sas, militair attaché in Washington en H. Veenendaal, technisch directeur van de KLM. Sas werd een week later met militaire eer op de begraafplaats Westerveld bij Haarlem ter aarde besteld. Bij het wrak werd een doosje met diamanten gevonden, ter waarde van 15.000 pond sterling. De autoriteiten slaagden er niet in de eigenaar van de diamanten op te sporen. Het verhaal gaat dat de diamanten van Nederland naar Amerika werden gesmokkeld, zoals dit wel vaker zou zijn gebeurd, ter financiering van een particuliere inlichtingendienst in Nederland. Leden van deze dienst zou tevergeefs hebben geprobeerd de diamanten bij het wrak op te sporen.
Toen Sas in september 1940 Londen verliet, nam hij het geheim van de identiteit van zijn relatie met zich mee. Nog steeds had hij die aan niemand onthuld. Gedurende de hele oorlog heeft niemand geweten, wie de geheime informant was die maandenlang als een spook ons leven beheerst had. De enige aanwijzing was zijn verbluffende voorkennis van de inval in Denemarken en Noorwegen, en later in Nederland en België, waaruit wij konden opmaken dat hij een hoge positie moest bekleden, die hem toegang verschafte tot de diepste geheimen van het O.K.W. Een Sönderkommando van de invallende Duitsers in Nederland constateerden op woensdag 15 mei dat een belangrijk deel van het archief van Buitenlandse zaken verbrand was; sommige stukken haalden zij nog uit de ketels van de centrale verwarming. Men vond wél een dagboek dat minister van Kleffens tot 27 april bijgehouden had alsmede, in een van zijn kledingstukken, de tekst van het telegram van donderdagavond 9 mei met een waarschuwing van de gezant te Berlijn dat het Duitse offensief "volgens relatie militaire attaché" vrijdagmorgen ingezet zou worden. Dat de attaché een belangrijke informant had, was evenwel in Berlijn al bekend. Van Kleffens dagboek bevatte enkele passages die bezwarend konden zijn voor gezant Zech en enige hoge functionarissen van het Auswärtige Amt; het werd deswege door een hun welgezinde figuur verdonkermaand. Pas na de oorlog, toen alles voorbij was, heeft Sas in zijn getuigenis voor de Nederlandse Parlementaire
Enquêtecommissie de identiteit van zijn 'relatie' geopenbaard die toen door niets meer geschaad kon worden. Zoals vele patriottische Duitsers voelde hij aanvankelijk enige sympathie voor het opkomende nationaal-socialisme, maar al spoedig na de machtsovername door de Nazi's, sloeg deze sympathie om in een geleidelijk stijgende afschuw, voortvloeiende niet uit democratische overtuiging, maar uit monarchistische, christelijke en morele bezwaren. Desondanks werd hij kort na '33 hoofd van de 'Zentralabteilung des Amtes Ausland-Abwehr', de Duitse contraspionagedienst. In deze functie was hij ingevoegd in het Oberkommando der Wehrmacht, en droeg hij kennis van de operationele plannen van het OKW. Hij was in feite de chef van de generale staf van de 'Abwehr' en eerste adviseur en medewerker van Admiraal Canaris, hoofd van de 'Abwehr'. Er is veel geschreven over de mysterieuze figuur van Canaris, fel tegenstander en een van de inspiratoren van het militair verzet tegen het Nazi-regime. Deze gebruikte zijn hoge, boven alle verdenking verheven positie, om tegen het Nazi-regime te ageren, of meer nog, te laten ageren. Hij was namelijk meer de man die op de achtergrond dekking verleende dan dat hij zelf tot actief verzet geneigd was. Vandaar dat hij graag de vrije hand liet aan Oster, een man van actie, die daarvan maar al te graag gebruik maakte. Hij was echter diep overtuigd dat er kritieke ogenblikken in de geschiedenis van een volk kunnen zijn, waarin hogere maatstaven dienen te gelden die ongehoorzaamheid, of zelfs verraad van geheimen tot plicht maakten. Hij was vast overtuigd dat het offensief op het Westfront niet slechts een catastrofe zou zijn voor Nederland en het Westen, maar uiteindelijk zou leiden tot de ondergang van Duitsland zelf. Hij handelde daarnaar, wetende dat hij daarmee zijn leven op het spel zette. De geschiedenis heeft hem in het gelijk gesteld, en hij heeft de hoogste prijs betaald die een mens kan betalen. Pas na de mislukte aanslag op
Hitler op 20 juli 1944 werden Canaris en Oster gearresteerd en in de keldercellen in het Gestapo-hoofdkwartier aan de Prinz Albrechtstrasse opgesloten, evenals vele andere leiders van de geheime
oppositie.
Op 9 april 1945, bij het aanbreken van de dag, werd hij met dominee Dietrich Bonhoeffer, Admiral Canaris en een aantal anderen, juist vóór de komst van de Amerikanen, in het concentratiekamp Flossenbürg vermoord. In enkele woorden die hij aan zijn zoon achterliet, had
hij nog uitdrukking weten te geven aan zijn overtuiging dat hij die van
land- en hoogverraad beticht was, in werkelijkheid de normen van
menselijk fatsoen geen moment verzaakt had.
|