![]() |
Vliegveld Valkenburg |
Mei 1940 |
| Home | Vóór de Oorlog | Bevelvoering | 4e Regiment Infanterie | Mei 1940 | Verliezen | Documenten | Verdere informatie |
|
|
|
Deel 1 En wij waren voor Valkenburg. |
Dienstplichtig sergeant J.W. Nijholt.
2s-MC-I-9R.I. ![]()
Bron: L.K. Nijholt. ©
|
Deze herinneringen draag ik op aan hen, voor wien de naam "Valkenburg" altijd zal blijven leven. Voorwoord. Wisseling van oud en nieuw -
de laatste avond van het jaar 1940.... negentienhonderdveertig! Hoevelen honderden, duizenden, wellicht
miljoenen mensen zullen op het ogenblik
peinzen over hetgeen 1940 hen gebracht zou hebben, bracht of.... heeft
ontnomen Ook ik heb op dit ogenblik te kampen met herinneringen, die een niet te weerstane drang uitoefenen op mijn handen, mijn vingers, die me noodzaken alles op te schrijven wat ik zo duidelijk voor me zie... Hoewel een ander zich slechts verwondert over een voor hem of haar hoogstens iet of wat onbehaaglijke stilte. Maar zij, die het uniform droegen, zij die op deze avond meer dolen langs dezelfde paden, die ze zijn gegaan gedurende de vijf dagen, zij zullen begrijpen, dat ik de pen heb gegrepen en schrijf, zo maar opschrijf alles wat nog tot in de kleinste onderdeeltjes voor me leeft. ------------- In
Haarlem, in een, de omstandigheden in aanmerking, juweel van een verblijf,
was gehuisvest het onderdeel MC-I-9R.I. Intussen moesten wij met de biggen optrekken en hoewel de heerlijke humor van weleer en het rotsvaste op elkaar vertrouwen niet in alle opzichten terugkeerden, toch kwam langzamerhand eenzelfde goede geest, als ook vroeger bij de Compie had geheerst, hoe langer hoe meer zijn plaats innemen. Langzamerhand werden we het over eens, dat het met de biggen nog wel iets meeviel. En, de eerlijkheid gebied me te te bekennen, ook onder hen bevonden zich sappige humoristen, die je het leven ten alle tijde van de zonnige kant deden bekijken. Ook de biggen leerden kankeren, lijntrekken, roken en ook zij vertoonden sporen van de weldadige invloed van "kuch, rats en bonen", welke werden bereid in onze onvolprezen keuken, waar een zeer omvangrijke menagemeester (hoe bestaat het) de scepter zwaaide. Kortom, wij gingen langzamerhand vergeten, dat we een compagnie biggen hadden, de compagnie werd een compagnie soldaten. Onder deze omstandigheden brak voor MC-I-9R.I. de 10e mei aan.
Wij hadden allen door , dat er weer wat "aan de knikker was". Immers, alle verloven waren ingetrokken, niet alleen het periodiek, maar ook het zakenverlof. ja zelfs het onbeperkt klein- en het buitengewoon verlof. Maar wát was, of hoe erg het was, niemand, die zich daar eigelijk bezorgd over maakte. Op het dienstrooster stond een bataljonsoefening in de duinen bij Zandvoort, aan te vangen 9 Mei des avonds 11 uur - te eindigen 10 Mei 's morgens 7 uur, en alle voorbereidingen gingen gewoon door. De bataljonscommandant, vergezeld van zijn kapiteins en hun sergeanten-toegevoegd gingen in de middag het terrein verkennen, om de oefening bij duisternis beter tot zijn recht te kunnen doen komen. Een symptoom, hetwelk ons de toestand niet zo zeer ernstig deed inzien. Toen
;s avonds elf uur het bataljon zich in beweging zette, zal er niemand
geweest zijn, die zich realiseerde, dat dit onze laatste oefening
zou zijn, dat wij ons linea recta van het oefeningsterrein naar het
oorlogsterrein zouden moeten begeven.
Het
schijnt een oefening op grote schaal te zijn, want er daveren plotseling
vliegtuigen over ons heen. In de verte blaffen luchtafweer kanonnen. Lieve
hemel, zou onze oefening een onderdeeltje zijn van een grootscheeps
georganiseerde manoeuvre? Ook vanuit zee klinkt geknal! Dus ook de marine
doet mee! Daar komt een ordonnans van de staf op zijn groen karretje het schelpenpaatje afjakeren, smijt zijn vehikel tegen de grond en snelt naar de majoor, wien hij, zonder het voorgeschreven ceremonieel in acht te nemen, iets vertelt. Onmiddellijk hierop; Einde van de oefening! Een onbestemd angstgevoel besluipt ons. Wat heeft dit allemaal te betekenen? Is dit wel zuivere koffie? Het is niet meer een enkeling, die twijfelt. Er wordt gegist, geraden, veronderstellingen worden geopperd, dwaze veronderstellingen, idiote veronderstellingen. Het kán immers geen oorlog zijn, oorlog in Nederland... onbestaanbaar. Links,
rechts, voor, achter,... overal davert kanongebulder. O God, hoe kan
dat... het is immers geen oorlog! Het is ongeveer 6 uur,
als een vermoeide, bezwete colonne de stad binnen trekt en deze in rep en
roer aantreft. Nu wordt onze twijfel zekerheid... Het is Oorlog!.... Het
Gerucht steekt zijn kop omhoog: Amsterdam staat in brand! De Duitsers zijn
over zee gekomen! Plesman heeft Schiphol verraden! Engeland en Frankrijk
rukken uit het Zuiden op!
Een
commando klinkt; Pakken!! Weinig beseften wij, hoe grondig
parachutisten het Nederlandse verdedigingsstelsel reeds kapot sloegen, hoe
grondig parachutisten reeds verwarring stichtten, hoe formidabel
parachutisten reeds vochten, wat voor mensen parachutisten eigenlijk
waren. 10 uur...... we
wachten. Vele onderofficieren snellen nog even naar de cantine en proppen
alle ruimte, die ze nog hebben vol met sigaretten. Ze hebben immers geld,
de maand is nog slechts 10 dagen oud. Maar de meeste jongens zijn platzak,
de week is bijna om. Half
elf........ nog steeds wachten we. De spanning wordt bijna ondraaglijk.
Het geknal rondom heeft opgehouden, slecht af en toe horen we nog
gebulder, vliegtuigen zijn niet meer te zien. Maar het is oorlog!
11
uur.... Rijden!! We rijden... door
Heemstede.... door Bennebroek..... Hillegom.... overal drommen mensen
langs de weg,... door Lisse, we passeren een afdeling bereden artillerie,
door Sassenheim.... vliegtuigen in zicht! Twee laagvliegende machines
komen ons tegemoet. Zo laag vliegt geen vijand, dat zijn vast eigen
vliegtuigen! Natuurlijk, de vijand zal zich wel wachten om zo dicht de
grond te naderen. Daar hebben ze de kop van de colonne bereikt. Drie
bommen zijn gevallen, de eerste was een voltreffer op een bus van de 1e
Compagnie, waarin een dertigtal soldaten een plaats hadden gevonden.... In de volgwagen, achter de getroffen bus
zat een burger chauffeur achter het stuurrad. Hij droeg geen helm, want
hij was een burgerchauffeur. Nog geen uur nadat hij zijn bus in beweging
had gebracht, was hij door een bomscherf uit het leven weggerukt.
Een grenzeloze woede maakt zich van mij meester bij het aanschouwen van zo een verwoesting en zo een ellende. Een wilde woede die overleg en rustig oordeel onmogelijk maakt. Enkelen beginnen over te geven... het is ook zo vreselijk wat we moeten aanschouwen en we zijn nog niet ingesteld op de Oorlog. Daar naderen weer vliegtuigen! Ieder zoekt dekking in tomeloze angst tegen het schuine talud van de hoge weg. Velen schieten met geweren, met karabijnen, ja zelfs met pistolen! Ze kijken niet, ze weten niet wat te doen. De mitrailleurs staan onbemand, dreigend naar boven gericht. De schutters hebben dekking gezocht. Gelukkig maar, want het zijn een paar Nederlandse jagers, die onze weg kruisen. Tientallen kogels worden in blinde vertwijfeling in hun richting gejaagd, de schutters zijn gelukkig te zeer uit hun evenwicht geslagen, dan dat ze ook maar enige trefkans hebben. Wij hebben onze veldkijker die ons helpt de vliegtuigen als Nederlandse te herkennen. We schreeuwen; "Niet schieten!"... we brullen... we kunnen evengoed fluisteren, de jongens horen ons niet en onophoudelijk fluiten Hollandse kogels in de richting van Hollandse vliegers. De eerste kennismaking met de Oorlog heeft velen geheel hun hoofd doen verliezen. Opnieuw naderen vliegtuigen, nu weer recht voor ons. Herkenningstekens zijn tegen de zon in zelfs met kijker niet te onderscheiden. Op misschien 100 meter hoogte, ordelijk achter elkaar, daveren ze ons tegemoet. Zijn het Duitsers? Daar klinkt voor uit de colonne: "Vijandelijk vliegtuigen.... Dekken!" gevolgd door het commando; "Mitrailleurs vuren!" Helaas weer hebben de mitrailleurschutters dekking gezocht. In arren moede nemen wij achter de wapens plaats, overtuigd, dat het onbegonnen werk zal zijn. Ook op ons heeft de voltreffer van zoeven de nodige indruk gemaakt. Groot onheilspellende
zwarte kisten zijn het. Maar.... we rijden weer, nu waakzaam en gereed, om
op het eerste gezicht van een vliegtuig, de dekking te zoeken. De schemering begint te vallen. We kunnen eten halen. De keukenwagen is een eind achter onze inderhaast aangelegde stellingen verdekt opgesteld. Nu merken we pas, dat we moe zijn, doodmoe. We hebben vanaf de vorige avond elf uur nog geen seconde rust gehad, maar zijn aan één stuk door onder hoogspanning in actie geweest. Bij de keukenwagen staan een paar mensen uit de
buurt. Zij vertellen ons, wat zich daar, enige kilometers voor ons,
vandaag heeft afgespeeld. Daar ligt Valkenburg, een ander Valkenburg dan
wij vermoedden, en bij Valkenburg ligt een militair vliegveld dat nog niet
geheel voltooid is. Hierop zijn vanmorgen in de vroegte hele zwermen
parachutisten gedaald en een grote groep transportvliegtuigen is er
neergestreken. De bodem van het vliegveld echter was nog week om de zware
machines te dragen, zodat ze allen in de soep zijn gezakt. Dus.... daar ligt Valkenburg, en hier zijn parachutisten. Wij zouden dus tegen parachutisten hebben te kampen. In groepjes begeven we ons langzaam naar onze kuilen terug en ieder zoekt zich een plaatsje, om de eerste oorlogsnacht zo goed mogelijk door te komen. Een gelukkige omstandigheid voor ons is, dat bollenkwekers op hun akkers steeds grote hopen stro en riet hebben staan, waarmee de bollen tegen de vorst worden beschermd. Hiermee dekken we ons zo goed en zo kwaad het gaat toe, zo goed en zo kwaad het gaat, want de nachten in het begin van Mei zijn nog bitter koud. Rillend klappertandend proberen de meesten te slapen, want na één dag oorlog slechts zijn we al dodelijk uitgeput. Dubbel zwaar gaat nu de doorwaakte voorgaande nacht wegen. In de verte in het Zuiden is de lucht bloedrood gekleurd. Daar ergens ligt Den Haag. Daar brandt het. Onverschillig en gevoelloos van vermoeidheid vallen we in lichte sluimering, om midden in de nacht van schrik overeind te vliegen; twee schoten knallen luid door de doodse stilte van de nacht. Gejaagd grijpt ieder zijn wapen.... Wat kan daar zijn? Het was vlakbij! Ieder tracht de duisternis met zijn ogen te doorboren, niemand ziet iets. Daar klinkt stemmengegons... Een wachtpost, die als consigne had gekregen; alles wat hier passeert aanhouden, had geschoten op een auto die niet snel genoeg stopt. Rakelings waren de Hollandse kogels over Hollandse hoofden gevlogen. De onzekerheid, veroorzaakt door parachutisten hadden bijna tot ongelukken geleid. Weinig vermoedden wij, hoe duur ons deze onzekerheid, die zich niet alleen van ons onderdeel had meester gemaakt, nog zou komen te staan.
's Morgens tegen een uur of vier, het is nog donker, wordt van groep tot groep doorgegeven het commando; Opleggen. De stellingen worden verlaten, de wapens op de auto's geladen en in de morgenschemering gaan we ........ terug. Waar we nu naar toe gaan, weet niemand, maar de meesten laat het ook totaal onverschillig. Hoe meer de dag nadert, hoe duidelijker onze toestand wordt; vuil, erbarmelijk vuil, door de modder van het bollenveld, bleek en hologig door de doorstane emoties en door het tekort aan slaap, ongewassen en ongeschoren. Velen slapen op de wagens weer in. we passeren de autobus die gisteren is getroffen. Vol afgrijzen zien en ruiken we de verkoolde lichamen nog smeulen. We slaan linksaf. Onze weg voert naar Noordwijk, waar weer halt wordt gehouden. De auto's worden onder de bomen gereden en de troep mag rusten. De troep gáát rusten; links en rechts liggen de jongens uitgebreid te pitten. Een motorfiets komt aanjakkeren. Natuurlijk wordt hij aangehouden. Het is een luitenant van een vreemd onderdeel, die vertelt, dat in de duinen achter Noordwijk parachutisten zijn gedaald. Ook hier parachutisten, overal zitten blijkbaar parachutisten, achter elke boom kan wel een parachutist staan! Een patrouille wordt uitgezonden, onder commando van een eerste luitenant, een halfbloed, die geen vrees kent. Kruipend en sluipend verdwijnen de mannen, de wapens gereed.... Onverricht terzake keren ze terug, niets te vinden. Een angstige twijfel tegenover ieder en alles wat we niet kennen, blijft echter, als een vage beklemming over ons hangen. Parachutisten.... Daar
komt plotseling een hevige deining in de manschappen, die voor ons langs
de weg liggen. Haast je rep je wordt de mitrailleur in stelling
gebracht.... We rijden weer. De zon heeft haar hoogste punt aan de hemel bereikt, als de colonne zich weer in beweging zet. Waarheen? We weten het niet. We hebben echter in de korte leerschool van de oorlog die we hebben doorlopen, al afgeleerd om te willen weten, wat er met ons gebeurt of waar we heen gaan. In doffe berusting rijden we. Onze
chauffeur, een burger is verdwenen, en in aanmerking genomen het
wantrouwen, waarmee de burgerchauffeurs worden behandeld, we kennen hen immers
niet en sommigen van hen dragen nu helmen, kunnen we hem geen ongelijk
geven. Een van onze eigen jongens neemt in de cabine plaats en ziet kans
om binnen vijf kilometer de motor in puin te draaien. Panne! Eindelijk krijgen we weer aansluiting met de rest. We zien de andere secties van onze compagnie, die met hun stukken hier en daar langs de weg staan opgesteld, om een eventuele hernieuwde aanval uit de lucht te kunnen afslaan. Vlak voor de brug over de Oude Rijn stoppen we en gaan we afladen. Te voet gaan we verder. Waarheen? Niemand weet het. Eensklaps davert rechts van ons de artillerie. Instinctief werpt ieder zich tegen de grond. Onnodig.... het is onze eigen artillerie, welke hoog over ons heen, we horen de projectielen wapperend suizen, en voor Katwijk aan de Rijn, Valkenburg beschiet. We kunnen de granaten zien ontploffen, wanneer ze zijn neergekomen. We trekken verder door Katwijk, begeleid door het monotoon gedreun van de kanonnen, die onafgebroken doorvuren. In Katwijk is bijna geen ruimte om te passeren, zo vol staat het met bereden artillerie. De artilleristen kijken ons bedenkelijk aan en wensen ons sterkte bij onze tocht naar voren. Wij begrijpen hen niet.... sterkte.... naar voren? Wat is hier dan? Wat moeten we nu dan doen? Bezorgd over wat ons te wachten staat en hevig verontrust door het niet weten marcheren we verder door Katwijk. Het bataljon wordt gesplitst. Drie secties van de mitrailleurcompagnie met de 1e Compagnie gaan rechts, de anderen verlaten ons en gaan richting Rijnsburg. Wij, aan de Zuid-Oost kant van Katwijk verspreiden ons in linie en langzaam rukken we verder voorwaarts. Waar onze vijand zit, hoe sterk hij is, wat voor soort terrein we komen, we weten het niet. Voor ons staan twee grote groen geverfde houten loodsen. Tot op ongeveer honderd meter zijn we deze loodsen genaderd, als we eensklaps onder vuur komen te liggen. Vlakbij ons knallen schoten! Allen liggen plat en buiten iedere oneffenheid in het terrein uit om er achter te dekken. Allen, behalve één, dat is onze majoor. Hij zoekt geen dekking, hij loopt van de ene vleugel naar de andere en probeert met alle macht ons voorwaarts te krijgen. Daar klinkt plotseling geknal vlak achter ons... daar is weer die verschrikkelijke onzekerheid: waar zit de vijand? Allen denken we, dat er wordt geschoten uit de loodsen vlak voor ons. Ieder legt zijn wapen aan en vuurt, zonder bepaald te richten, op de beide houten gebouwen. De mitrailleurs gaan ratelen en zagen de planken bijna door. Geen mug kan zich meer levend bevinden in die houten hokken en toch klinken nog schoten vlakbij. In Godsnaam... waar zit die ver.... vijand! We moeten voorwaarts! Een kogel fluit vlak voor me langs en slaat op geen armlengte afstand in de schuine helling van de greppel, waarin ik lig. Voorwaarts moeten we, tegen het vuur in! De moed ontzinkt me, dieper kruip ik in de greppel. Daar zie ik, hoe plotseling lange Piet, een sergeant, als eerste op zijn eentje vooruit stormt. Een soldaat van zijn stuk ligt vlak naast me, ziet daar plotseling op zo'n vijftig meter voor zich een man. Hij heeft zijn sergeant naar voren zien snellen en kan dus weten, dat het zijn eigen stukscommandant is, wiens helm hij nu net boven het maaiveld uit ziet steken. Door het voortdurende knallen is de jongen zijn bezinning kwijt.... hij grijpt zijn geweer, legt aan op de helm voor zich en vuurt! Het wordt me zwart voor mijn ogen. In een plotselinge aanval van razernij geef ik de vent, die niet meer weet wat hij doet, een vuistslag in zijn gezicht dat hij duizelt! Daarop barst de arme kerel in snikken uit. Zijn zenuwen kunnen het niet langer verdragen. Ik heb door deze ontlading mezelf teruggevonden, spring overeind en snel ook vooruit. Samen liggen we nu een vijftigtal meters voor de troep, die onbarmhartig doorvuurt, over ons heen, langs ons, op de loodsen, die staan te schudden op hun grondvesten. Merkwaardig kalm ben ik nu. Gesterkt word ik door de simpele woorden van Piet, "Ha ben jij het, dat vind ik fijn, we moeten verder jong!" Samen gáán we verder, tot vlak bij de loodsen, kijken door de kapot geschoten ramen naar binnen........Niets! Om me beter te overtuigen neem ik mijn geweer en sla een ruit stuk. Het glas rinkelt, maar mijn geweer is als een strootje doormidden geknapt! Weer overvalt me eenzelfde verschrikkelijke woede, als ik in me voelde opkomen bij het aanschouwen van de ellende bij de bus. Godslasterlijk sta ik te vloeken en te tieren, dat we met zulk materiaal het veld worden ingestuurd, met ouderwetse geweren, die nota bene bij het inslaan van een stuk glas in spanen vliegen. Geen twintig meter verder krijg ik
gelegenheid een ander geweer te nemen, want we betreden geen maagdelijk
terrein. Hier liggen links en rechts wapens voor het grijpen. Daar staan
twee onklaar gemaakte zware mitrailleurs, een eindje verder een lichte en,
nog in een houding als waren ze in volle actie bij het gevecht betrokken,
de lijken van soldaten, die achter hun wapen zijn gesneuveld. Bij het zien van de jongens, die daar geheel ongeschonden liggen, bekruipt me de wens, dat, als ook ik moet sterven, het dan mag zijn op de manier van dezen hier en niet op de manier van hen, die we gisteren hebben zien vallen. Nu we voorbij de loodsen zijn gekomen zien we ze staan, de grote zwarte kisten, schots en scheef, met afgeknapte vleugels hangen enkele tegen elkaar. Onze moed herleeft, als we gaan tellen... tien... twintig.... dertig, nog meer vliegtuigen heeft de vijand hier verloren. In overdreven optimisme concluderen we, dat het wel overal zo zal zijn... massa's machines heeft de vijand verloren, veertig alleen reeds hier. Zulke klappen zal hij niet kunnen verdragen. In het geheel niet beseffen we dat het verlies van enige tientallen vliegtuigen voor een luchtmacht als waarover de vijand beschikt, niet het minste betekent. Met welbehagen rusten onze ogen op de chaos op het vliegveld. We zien verschillende witte plekken... parachutes, we glimlachen triomfantelijk als we de zware artillerieprojectielen horen suizen en zien ontploffen. We worden overmoedig verder voorwaarts gedreven in een onweerstaanbare drang om mee te doen aan de vernieling, om mee te helpen, de vijanden, die nog zijn overgebleven, te vernietigen. Geremd worden we echter, door: dat we niet weten, waar de vijand zit. Telkens klinken van vlakbij, hoogstens dertig-veertig meter van ons vandaan, de korte knallen van geweerschoten. Vaag echoën ze tegen de huizen van Valkenburg. Wij vuren op elke oneffenheid in het terrein voor ons, op iedere plek, op ieder paaltje, op ieder hok, wat we voor ons zien. De vijand moet toch ergens zitten, al zien we hem niet. Verder dringen we op: de jongens met de zware mitrailleurs hebben een onmenselijk zware taak te vervullen. Met het grote onhandige wapen rukken ze in de voorste linie mee op, zich moeizaam dekkend en zich weer oprichten wanneer ze worden beschoten. De hogere nummers bekommeren zich niet om de theorie van het oprukken, die we uitentreuren bij de velddienst hebben beoefend. Ieder heeft zijn eigen wapen, ieder heeft zijn eigen oorlog, ieder opereert op eigen houtje, alle verband is zoek. Maar...... we rukken op! Langzamerhand wordt ons duidelijk, waar het geknal vlak voor ons vandaan komt: de vijand schiet met kogels, welke in de buurt van het doel exploderen, miniatuur bommetjes dus, en wat wij voor de echo hielden, is het eigenlijke schot. Een ontzettende psychologische uitwerking hebben deze projectielen. Geen mens, zelfs de moedigste, kan voorwaarts blijven gaan, wanneer in zijn onmiddellijke nabijheid, de vijandelijke kogels met hun korte fluitende knallen ontploffen. Ondertussen neigt de zon te kimmen. Nog steeds dringen we verder voorwaarts. Een brede sloot, waarover slechts een smal doorbuigend plankje ligt, verspert ons de weg. In de looppas wordt de hindernis genomen. De troep moet zich hier concentreren; alleen moeten over het ene smalle plankje. De vijand heeft gezien, waar hij de meeste trefkans heeft. Onafgebroken ligt onze "brug" onder vuur. We moéten er over! Ik snel vooruit, in de looppas over de plank, drie hevige korte knallen klinken vlak bij mijn hoofd. Instinctief laat ik me voorover tuimelen, pardoes in de sloot. Ik druk me vast in de modder, mijn gezicht geperst in het gras van de wallekant. Het koude water dringt door mijn kleren, ik voel het stromen in mijn schoenen, het deert me niet.... Ik heb hier een pracht van een dekking. Drie meter achter me ligt "Oscar". Hij heeft ook dekking gezocht, echter aan de verkeerde kant van de sloot. Een kogel komt aanfluiten... een gil snerpt over het veld, gevolgd door een door merg en been dringend gekreun. Oscar is geraakt! Hij ligt nu te schreeuwen van pijn, hij roept aan zijn moeder... hij stamelt mijn naam.... Vaster druk ik me in de modder, dieper laat ik mij zakken... Oscar wordt door twee kameraden teruggebracht, wij gaan voorwaarts! Opnieuw snerpt een alles doordringend gejammer door de schemering, nu gevolgd door een rochelend gesteun. Weer een getroffen.... deze hoeft niet onmiddellijk te worden teruggebracht! (Dirk) De duisternis is gevallen. Onze sectiecommandant ziet reeds geen onderscheid meer tussen land en water, hij loopt recht in een sloot. Hij had een affuit op zijn rug, muurvast drukt het ijzeren gevaarte hem in de modder.... Twee jongens hebben de plons gehoord, aan zijn benen trekken ze hem uit het slijk vandaan en redden hem van een wisse verdrinkingsdood. We kunnen niet verder, we graven ons in. Verstijfd van de kou en rillend in mijn natte plunje ben ik bijna niet in staat de pionierschop vast te houden. Ik vraag mijn compagniescommandant, die naast me ligt te graven, of ik terug mag gaan naar Katwijk, om droge kleren te halen. Ik kan toch onmogelijk de nacht in mijn doorweekte kleding op het open veld doorbrengen! Het wordt geweigerd, het kan niet. De kapitein heeft opdracht gekregen zich hier met zijn compagnie in te graven, dan kan hij toch geen sergeant laten terug keren. Ik begrijp het en graaf verder, vast overtuigd, da dit mijn dood zal worden. Dit kan zelfs de sterkste en meest geharde body niet uithouden. Enige ogenblikken later word ik met een patrouille van zes man enige honderden meters teruggezonden om de wacht te houden in de rug van de troep. Aan het hoofd van het groepje strompel ik terug, mijn benen weigeren bijna hun dienst. Nooit ben ik er zo ellendig aan toe geweest. We leggen ons tegen een tuinwalletje en kruipen dicht tegen elkaar, want ook de anderen zijn, hoewel droog, steenkoud. We slaan de armen om elkaar heen, schuifelen tezaam als kuikens onder een kloek en delen broederlijk het beetje warmte, dat we tot onze beschikking hebben. Hier beleven we één van de weinige goede momenten, die een oorlog biedt. Onzichtbaar over ons heen en tussen ons in vlijt zich, als een deken, hecht en onverbrekelijk een warm gevoel van broederschap, dat zich met ontelbare worteltjes vertakt en vastzet in de spleetjes en gaatjes, die tussen onze lichamen open blijven. Vaster drukken onze armen ons tegen elkaar en ondanks de bijna niet te verdragen kou, sluimeren we in.
11 mei gaat over in 12 mei. |