Mobilisatie 1914-1918

BRON ; o.a. BUITEN SCHOT

De mobilisatie, die vier jaren zou duren, ging niet ongemerkt voorbij. 

Na de moord op Oostenrijkse troonopvolger Frans Ferdinand op 28 juni door een Servische nationalist leek een wereldomvattend conflict niet direct voor de deur te staan. Oostenrijk nam een maand de tijd om met een reactie te komen. Het legde op 23 juli een onuitvoerbaar ultimatum voor aan Servië. 

Duitsland, met name de Keizer, de kanselier en Moltke, zegden Oostenrijk steun toe en maanden de Oostenrijker tot een snelle interventie in Servië. Het trio was van mening dat als Oostenrijk snel ingreep de gevolgen klein waren. Rusland zou dan te laat zijn om hun Servie's broedervolk te beschermen. Dit gegeven is bekend geworden onder de naam : "Berlijns blanco check". De Duitsers namen een enorm risico met een kleine Balkanoorlog. [97]

Toen bleek dat de Russen wel bereidt waren om voor Servië op te komen hadden de Duitsers eenvoudig Oostenrijk kunnen vertellen de oorlog tegen de Servië te stoppen. Maar de het trio beval de mobilisatie van het Duitse leger. [97] 

Op 28 juli telegrafeerde Moltke op eigen initiatief, en overschreed hiermee zijn bevoegdheid, de Oostenrijkers om vooral snel toe te slaan. Hij was van mening dat als de oorlog in Europa uitbrak zij gereed moesten zijn voordat de Russen gereed waren voor een oorlog. [97]

Als reactie op het ultimatum mobiliseerde Servië op 25 juli haar strijdkrachten. 
De sneeuwbal van onderlinge verdragen in Europa begon te rollen.

  • Als reactie op de mobilisatie van Servië kondigde Oostenrijk op diezelfde dag een gedeeltelijke mobilisatie af, gevolgd door een algemene mobilisatie op de dag er na. Twee dagen later volgde de oorlogsverklaring aan Servië. 
  • Rusland steunde Servië en meende niet werkeloos te mogen toezien en startte de mobilisatie op 30 juli.
  • Op 31 juli oordeelde de Nederlandse regering dat een oorlog tussen Duitsland en Rusland spoedig zou uitbreken en besloot om 12.10 uur tot de mobilisatie.
  • Duitsland had een verdrag met Oostenrijk en kon de Russische mobilisatie niet negeren. Mobilisatie op 1 augustus.
  • Frankrijk was middels een verdrag verbonden met Rusland. Frankrijk reageerde op de Duitse mobilisatie met de mobilisatie van haar strijdkrachten.
  • Ook België liet zich niet onbetuigd en mobiliseerde met Frankrijk haar troepen.
  • Op 1 augustus verklaarde Duitsland Rusland de oorlog.
  • Op 2 augustus viel Duitsland Luxemburg binnen.
  • Op 4 augustus overviel Duitsland de Belgen. Hierop werd de mobilisatie in Engeland afgekondigd.
  • Op 23 augustus verklaarde Japan de oorlog aan Duitsland.
  • Engeland, Frankrijk en Rusland (Entente) verklaarden de oorlog aan Turkije.
  • Op 24 mei 1915 verklaarde Italië de oorlog aan Oostenrijk. Even daarna op 10 augustus de oorlog aan Turkije.
  • 16 oktober 1915, de geallieerden verklaarden de oorlog aan Bulgarije.
  • Ook Portugal ontkomt niet aan de oorlog. Duitsland verklaarde deze op 9 maart 1916.
  • Roemenië betreed op 30 augustus 1916 het oorlogstoneel en verklaarde zich in oorlog met Duitsland.
  • 6 april 1917, de VS verklaarden in oorlog te zijn met Duitsland.

De Duitsers vielen België binnen om Frankrijk, zo hoopten zij, binnen 42 dagen (Plan Schlieffen) op de knieën te krijgen en zich daarna tegen Rusland te kunnen keren. Ook waren de Duitsers in de veronderstelling dat Engeland zich buiten een conflict op het vaste land zouden houden.

 *

De Nederlandse minister van Oorlog, Lt. gen. N. Bosboom, deed op 31 juli de oproep tot mobilisatie van de grens- en kustbewaking om 14.00 de deur uit.

De volgende dag was de mobilisatie van de grens- en kustbewaking voltooid en een groot succes gebleken. 's Avonds waren 44 van de 105 detachementen op post.
Om 15.00 uur werden de mobilisatieoproepen voor de Landweer, Militie en de Zeemacht op de gemeentehuizen opgeplakt en onder het luiden van de kerkklokken onder de aandacht van de bevolking gebracht. Totaal werden vijftien lichtingen opgeroepen. Het beheer van de spoorwegen kwam bij de staf van de Generale staf te liggen om de mobilisatie soepel en snel te laten verlopen.
Beroering was er in het socialistische kamp, er volgden demonstraties tegen de oorlog.

*

 

De aanschaf van het wagenpark en paarden werd verwezenlijkt door de burgers te contracteren om hun voertuig of paard voor de tijd van de mobilisatie tegen een vergoeding af te staan. Daar vonden natuurlijk de nodige misstanden plaats. Men belazerde de boel.
De kledingvoorziening was ook niet al te best geregeld. Men liep in verschillenden uniformen, oudere lichtingen droegen nog het donkerblauwe; de nieuwe in het in 1913 ingevoerde veldgrijze uniform.

Na de mobilisatie volgde de concentratie, d.w.z. het in positie manoeuvreren van de troepen. Ook deze concentratie was door gen. Snijders uitgewerkt. De 1e Divisie verdedigde de Noordzeekust tegen een aanval vanuit zee, de 2e Divisie lag achter de IJssel en de 3e Divisie werd gelegerd in Noord-Brabant. De 4e Divisie was als reserve opgesteld achter de andere divisies. Dit alles in stellingen die defensief ingericht waren. Snijders voornaamste opdracht was de neutraliteit van Nederland te waarborgen. 

Op 3 augustus had het veldleger haar posities ingenomen en na de inval in België besloot Snijders de 4e Divisie naar Brabant te verplaatsen. In Zeeland, Brabant, Limburg en een deel van Gelderland werd de staat van oorlog afgekondigd. Kanonnen van 8 staal - we komen ze nog tegen in de tweede wereldoorlog - werden per schip naar de forten van de Hollandse waterlinie gebracht.
Op 5 augustus volgde op verzoek van gen. Snijnders in een aantal gebieden de afkondiging van de staat van beleg. Alles wat in het schootsveld stond werd verwijderd. Bomen werden gekapt en huizen werden gesloopt, iets wat uiteraard veel consternatie veroorzaakte.

In 1923 schreef generaal Snijders over de Nederlandse weermacht;

  • De aanvullingen van de bewapening en uitrusting van de stellingen bleef in de pen. Minister Colijn had ook ten deze ernstige plannen, doch zij kwamen vóór zijn aftreden in augustus 1913 niet tot een begin van uitvoering. Dientengevolge zijn wij den oorlog ingegaan met geheel verouderd vestinggeschut, geheel ontbrekende, moderne krombaan artillerie en geheel onvoldoende voorraden op elk gebied.

Van de generaal kan niet gezegd worden dat hij vastgeroest zat aan oude ideeën. Waar de Belgen en Fransen in 1914 nog ten strijde trokken in een negentiende uitrusting en zelfs de Fransen nog in kleurige blauw-rode uniformen de Duitse machinegeweren tegemoet marcheerden, was Nederland al overgegaan naar het veldgrijs. Ook de selectie en de training van speciale stormtroepen werd door hem ter hand genomen.
Vooruitlopend aan de opleiding van deze speciale troepen kreeg de Artillerie-inrichting Hembrug rond 1917 de aanbesteding voor het maken van  50.000 stormdolken. In 1918 werd het wapen daadwerkelijk geïntroduceerd bij de Stormtroepen, toen een apart onderdeel van ieder infanteriebataljon. Het fenomeen stormtroepen verdween uit de organisatie in 1924 en de dolken gingen in opslag. In 1938 werden o.a. de mobiele eenheden RH en RHM er mee uitgerust.

Wat Nederland direct merkte van de oorlog waren de vele vluchtelingen. Steuncomités voor deze vluchtelingen werden opgericht. Deze moesten van onderdak worden voorzien en gevoed worden. Militairen van de in oorlog zijnde landen werden geïnterneerd en in kampen opgesloten.

Bosbooms gebrekkige communicatie met het parlement, alsmede irritaties in den lande over de aanhoudende, kostbare mobilisatie en over zich stierlijk vervelende soldaten met alle incidenten van dien, schiepen allengs een sfeer waarin de minister en Kamerleden zich steeds kregeliger tegenover elkaar opstelden. Daarbij kwamen dan nog de spanningen tussen de betrokken verantwoordelijken onderling. 

Ook de geoefendheid liet te wensen over. Vandaar dat de warme augustusdagen werden gevuld met dagmarsen van 40 Km. Verder werd er vaak en veel geoefend. De rest van de tijd werd gevuld met wachtlopen, poetsen en het in orde brengen van de uitrusting. Inspecties werden vaak uitgevoerd door allerlei militaire instanties en ook de Koningin liet zich daarbij niet onbetuigd.

De inkwartiering van de officieren leverden niet veel problemen op. Dat van de manschappen wel. Liever had de legerleiding dat een compagnie in een gebouw werd ondergebracht, dat was makkelijk. Veel leegstaande en soms haveloze fabriekshallen werden hiervoor gebruikt. De voorzieningen voldeden bij lange na niet aan de geldende voorschriften. Ongedierte, ongemak en stank achtervolgden de soldaten. Voor het gebruik van zo'n fabriekshal werd betaald en er werd geld mee verdiend.
Aan de grens, waar de bewoners meestal zelf een armoedig bestaan leefden, werden de soldaten ingekwartierd in grote schuren en stallen en op steenkoude zolders onder een los pannendak.

Het uniform was niet zo uniform als het woord aangeeft. Oudere lichtingen droegen nog het, wel of niet versleten, donkerblauwe uniform, de nieuwere het veldgrijs. 
Stalen helmen waren tot aan het einde van de oorlog nog steeds niet voorradig.
Over het soldij werd natuurlijk geklaagd. Soldaten kregen ongeveer 16 cent per dag terwijl een sergeant toch al gauw fl 1.35 toucheerde. 
Het verlof baarde hun ook zorgen. In 1914 kreeg elke soldaat één dag verlof per tien dagen. De in de forten gelegerde soldaten kregen één dag per week. 

Over het algemeen was men in de hogere officierskringen niet erg tevreden over het moreel van de Nederlandse soldaat. Veel gevallen van desertie, veel gevallen van insubordinatie.
Eén van de reden was dat de beroepsofficieren er nogal conservatieve ideeën op na hielden welke frontaal botsten met de antimilitaristische houding van het Nederlandse volk en daarmee de min of meer socialistisch ingestelde dienstplichtige militair. De officieren, uitzonderingen daargelaten, zagen de door de regering beschikbaar gestelde dienstplichtigen niet echt als een zelfdenkend wezen maar meer als een werktuig.   

De jaren 1917 en 1918 waren voor Nederland de zwaarste uit de oorlog. De oorlogsmoeheid, de schaarste en rantsoenering drukten de stemming en verhoogden de onvrede.
De prijzen hadden vlees al tot een luxe gemaakt, iets wat de socialistische "Notenkraker" een wrang commentaar ontlokte, "Als het varkensvlees even duur was als het Kanonnenvlees, waren we uit de brand".

In juni 1917 breekt er in Amsterdam de "aardappeloproer" uit. Reden; burgers haalden een aardappelschuit leeg die bestemd was voor militairen. I-4R.I. werd vanuit de Morschpoortkazerne te Leiden voor korte duur naar Amsterdam bevolen. Winkels en pakhuizen werden geplunderd, een demonstratie eindigde in onregelmatigheden. Er werd door de militairen ingegrepen.

Toen de oorlogsdreiging  in maart 1918 plotseling sterk toenam verzocht de minister-president aan gen. Snijders om een onderhoud. Hij wilde het niet hebben over de liberale verlofregeling, die de weermacht kwantitatief verzwakten, ook niet over de tekorten aan mitrailleurs, gasmaskers, stalen helmen, handgranaten en artillerie. Hij wenste duidelijke afspraken met de generaal te maken die nodig waren om het leger voor te bereiden op een mogelijke escalatie van het conflict. Tot de ministers verbijstering zag Snijders de toestand somber in. Hij noemde de verdediging van Nederland tegen een eventuele Duitse aanval doelloos. Lt. gen. Pop, chef van de Generale staf, deelde die mening. Later verklaarde de generaal dat hij had bedoeld vruchteloos. In mei was de crisis gelukkig goeddeels afgewend.
Deze uitspraak van Snijders deed de regering besluiten zich van de generaal te ontdoen. De koningin weigerde daar de Kroon nog steeds alle vertrouwen in zijn functioneren had. 

Het Bureau van de Generale Staf.
Voorste rij in het midden, Generaal C.J. Snijders, opperbevelhebber
van de Nederlandse Land- en Zeemacht. 

Op 22 oktober 1918 verzocht Snijders de regering om vijftigduizend man extra te mobiliseren en alle periodieke verloven in te trekken. Hij was bang dat de terugtrekkende Duitse troepen Limburgs grondgebied zouden schenden. De ministerraad ging akkoord maar dan liet Snijders weten de extra mobilisatie niet nodig te achten. De verstandhouding werd er niet beter door.
De verloven bleven echter ingetrokken en dit leidde op vrijdag 25 oktober bij 1R.I., in het legerkamp de Harskamp, tot een oproer. Diverse gebouwen vielen ten prooi aan de vlammen en er vielen schoten. In andere legerplaatsen was het ook onrustig. Snijders liet de oproer in de Harskamp onderzoeken en kwam tot de conclusie dat de algemene ontevredenheid als gevolg van mobilisatiemoeheid en de slechte voeding de oorzaak was en waarbij de intrekking van de verloven de emmer deed overlopen.
De ministerraad besloot tot een eigen onderzoek. Het had de schijn dat men van gen. Snijders af wilde. Uit het onderzoek van de ministerraad kwam naar voren dat de mentaliteit van het officierskorps te ouderwets was en een zekere democratisering van het leger hard nodig werd geacht. De minister meende dat Snijders niet de aangewezen persoon was om deze hervormingen door te voeren. De generaal wist genoeg en bood zijn ontslag aan.

Velen vonden het een wijs besluit. Lt. gen. Pop, sous chef van de Generale staf, nam zijn functie over. Rechts Nederland bleef tot lang na de oorlog hevig verontwaardigd.

 

Tijdens de oorlogsjaren heeft het er zelfs enige malen om gespannen of Nederland toch niet de kant van de Duitsers zou kiezen. Opperbevelhebber generaal C.J. Snijders was daar een verklaard voorstander van. Steeds opnieuw ruziede hij daarover met de regering, die strikt de neutraliteit wilde handhaven. Het is eigenlijk verbazingwekkend dat de Nederlandse regering deze pro-Duitse generaal niet gewoon de laan uitstuurde. De enige reden daarvoor was dat koningin Wilhelmina, toentertijd 35 jaar oud, bij die conflicten consequent de zijde van haar opperbevelhebber koos.

 

De heersende Spaanse griep was voor de regering een reden te meer om na de wapenstilstand van 11 november zo snel mogelijk te demobiliseren. Zij voelde er weinig voor om verantwoordelijk te zijn voor de vele ziekte en sterfgevallen onder de gemobiliseerden. Op 12 november maakte de minister van Oorlog bekend dat 122.000 van de 237.000 man naar huis mochten.
Bij de mobilisatie in 1914 was er een slechte ervaring opgedaan met de meegegeven uitrusting van de militairen. Toen was gebleken dat de meegegeven uitrusting, waarmee men weer in dienst kwam, in slechte staat verkeerde. Daarom was besloten de uitrusting niet meer mee te geven aan de gedemobiliseerden. De inname liep spaak en uiteindelijk kregen de grootverlofgangers twee paar schoenen mee naar huis. Om het burgergebruik te ontmoedigen waren de schoenen verzegeld.
Door de schaarste die er heerste waren alle spullen waardevol geworden. De afgezwaaide militairen maakten er dankbaar gebruik van.

***

 

De demobilisatie in 1918 bracht, onder de druk van de bezuiniging, en van de verwachtingen van de "Volkenbond", die vooral in pacifistische kringen gekoesterd werden, een snelle afbraak van de weermacht. 

>Raadpensionaris Johan de Witt schreef al in een brief aan Pieter de Hoogh in de 17e eeuw: [5]

  • "Want de aerdt der Hollanders is soodanigh, gelijck U.Ed. mede ten beste bekend is, dat als haer de noodt en de periculen niet seer claer voor oghen comen, sij gheenszins ghedisponeert connen worden om naer behooren te vighileeren voor haar eijgen securiteijt.<

Bezuinigingen; een aan de Nederlander wel zeer bekend verschijnsel, maar we zijn pas in het tweede decennium van 1900. 

*

De mobilisatie zou 25 jaar later weer herhaald worden en het zou nagenoeg een kopie zijn van de eerste, inclusief de zo geprezen neutraliteit, de bewapening, de mentaliteit en de tegenstander. Men had er wel van geleerd, maar men had er geen geld voor over om een herhaling te voorkomen. 

Voorspel