BRON ; o.a. BUITEN SCHOT
De mobilisatie, die vier jaren zou duren, ging
niet ongemerkt voorbij.
Na de moord op Oostenrijkse troonopvolger Frans
Ferdinand op 28 juni door een Servische nationalist leek een
wereldomvattend conflict niet direct voor de deur te staan.
Oostenrijk nam een maand de tijd om met een reactie te komen. Het
legde op 23 juli een onuitvoerbaar ultimatum voor aan Servië.
Duitsland, met name de Keizer, de kanselier en
Moltke, zegden Oostenrijk steun toe en maanden de Oostenrijker tot
een snelle interventie in Servië. Het trio was van mening dat als
Oostenrijk snel ingreep de gevolgen klein waren. Rusland zou dan te
laat zijn om hun Servie's broedervolk te beschermen. Dit gegeven is
bekend geworden onder de naam : "Berlijns blanco check".
De Duitsers namen een enorm risico met een kleine Balkanoorlog.
[97]
Toen bleek dat de Russen wel bereidt waren om voor
Servië op te komen hadden de Duitsers eenvoudig Oostenrijk kunnen
vertellen de oorlog tegen de Servië te stoppen. Maar de het trio
beval de mobilisatie van het Duitse leger.
[97]
Op 28 juli telegrafeerde Moltke op eigen initiatief,
en overschreed hiermee zijn bevoegdheid, de Oostenrijkers om vooral
snel toe te slaan. Hij was van mening dat als de oorlog in Europa
uitbrak zij gereed moesten zijn voordat de Russen gereed waren voor
een oorlog. [97]
Als reactie op het ultimatum mobiliseerde Servië op 25
juli haar strijdkrachten.
De sneeuwbal van onderlinge verdragen in Europa begon te rollen.
- Als reactie op de mobilisatie van Servië kondigde Oostenrijk
op diezelfde dag een gedeeltelijke mobilisatie af, gevolgd door
een algemene mobilisatie op de dag er na. Twee dagen later
volgde de oorlogsverklaring aan Servië.
- Rusland steunde Servië en meende niet werkeloos te mogen
toezien en startte de mobilisatie op 30 juli.
- Op 31 juli oordeelde de Nederlandse regering dat een oorlog
tussen Duitsland en Rusland spoedig zou uitbreken en besloot om
12.10 uur tot de mobilisatie.
- Duitsland had een verdrag met Oostenrijk en kon de Russische
mobilisatie niet negeren. Mobilisatie op 1 augustus.
- Frankrijk was middels een verdrag verbonden met Rusland.
Frankrijk reageerde op de Duitse mobilisatie met de mobilisatie
van haar strijdkrachten.
- Ook België liet zich niet onbetuigd en mobiliseerde met
Frankrijk haar troepen.
- Op 1 augustus verklaarde Duitsland Rusland de oorlog.
- Op 2 augustus viel Duitsland Luxemburg binnen.
- Op 4 augustus overviel Duitsland de Belgen. Hierop werd de
mobilisatie in Engeland afgekondigd.
- Op 23 augustus verklaarde Japan de oorlog aan Duitsland.
- Engeland, Frankrijk en Rusland (Entente) verklaarden de oorlog
aan Turkije.
- Op 24 mei 1915 verklaarde Italië de oorlog aan Oostenrijk.
Even daarna op 10 augustus de oorlog aan Turkije.
- 16 oktober 1915, de geallieerden verklaarden de oorlog aan
Bulgarije.
- Ook Portugal ontkomt niet aan de oorlog. Duitsland verklaarde
deze op 9 maart 1916.
- Roemenië betreed op 30 augustus 1916 het oorlogstoneel en
verklaarde zich in oorlog met Duitsland.
- 6 april 1917, de VS verklaarden in oorlog te zijn met
Duitsland.
De Duitsers vielen België binnen om Frankrijk, zo hoopten zij,
binnen 42 dagen (Plan Schlieffen) op de knieën te krijgen en zich daarna tegen Rusland
te kunnen keren. Ook waren de Duitsers in de veronderstelling dat
Engeland zich buiten een conflict op het vaste land zouden houden.
*
De Nederlandse minister van Oorlog, Lt. gen. N.
Bosboom, deed op 31 juli de oproep tot mobilisatie van de grens- en
kustbewaking om 14.00 de deur uit.
De volgende dag was de mobilisatie van de grens- en
kustbewaking voltooid en een groot succes gebleken. 's Avonds waren
44 van de 105 detachementen op post.
Om 15.00 uur werden de mobilisatieoproepen voor de Landweer, Militie
en de Zeemacht op de gemeentehuizen opgeplakt en onder het luiden
van de kerkklokken onder de aandacht van de bevolking gebracht.
Totaal werden vijftien lichtingen opgeroepen. Het beheer van de
spoorwegen kwam bij de staf van de Generale staf te liggen om de
mobilisatie soepel en snel te laten verlopen.
Beroering was er in het socialistische kamp, er volgden
demonstraties tegen de oorlog.
*
De aanschaf van het wagenpark en paarden werd
verwezenlijkt door de burgers te contracteren om hun voertuig of
paard voor de tijd van de mobilisatie tegen een vergoeding af te
staan. Daar vonden natuurlijk de nodige misstanden plaats. Men
belazerde de boel.
De kledingvoorziening was ook niet al te best geregeld. Men liep in
verschillenden uniformen, oudere lichtingen droegen nog het
donkerblauwe; de nieuwe in het in 1913 ingevoerde veldgrijze
uniform.
Na de mobilisatie volgde
de concentratie, d.w.z. het in positie manoeuvreren van de troepen.
Ook deze concentratie was door gen. Snijders uitgewerkt. De 1e
Divisie verdedigde de Noordzeekust tegen een aanval vanuit zee, de
2e Divisie lag achter de IJssel en de 3e Divisie werd gelegerd in
Noord-Brabant. De 4e Divisie was als reserve opgesteld achter de
andere divisies. Dit alles in stellingen die defensief ingericht
waren. Snijders voornaamste opdracht was de neutraliteit van
Nederland te waarborgen.
Op 3 augustus had het
veldleger haar posities ingenomen en na de inval in België besloot
Snijders de 4e Divisie naar Brabant te verplaatsen. In Zeeland,
Brabant, Limburg en een deel van Gelderland werd de staat van oorlog
afgekondigd.
Kanonnen
van 8 staal - we komen ze nog tegen in de tweede wereldoorlog -
werden per schip naar de forten van de Hollandse waterlinie
gebracht.
Op 5 augustus volgde op verzoek van gen. Snijnders in een aantal
gebieden de afkondiging van de staat van beleg. Alles wat in het
schootsveld stond werd verwijderd. Bomen werden gekapt en huizen
werden gesloopt, iets wat uiteraard veel consternatie veroorzaakte.
In 1923 schreef generaal Snijders over de
Nederlandse weermacht;
-
De aanvullingen van de bewapening en uitrusting
van de stellingen bleef in de pen. Minister Colijn had ook ten
deze ernstige plannen, doch zij kwamen vóór zijn aftreden in
augustus 1913 niet tot een begin van uitvoering. Dientengevolge
zijn wij den oorlog ingegaan met geheel verouderd
vestinggeschut, geheel ontbrekende, moderne krombaan artillerie
en geheel onvoldoende voorraden op elk gebied.
Van de generaal kan niet gezegd worden dat hij vastgeroest zat aan
oude ideeën. Waar de Belgen en Fransen in 1914 nog ten strijde
trokken in een negentiende uitrusting en zelfs de Fransen nog in
kleurige blauw-rode uniformen de Duitse machinegeweren tegemoet
marcheerden, was Nederland al overgegaan naar het veldgrijs. Ook de
selectie en de training van speciale stormtroepen werd door hem ter
hand genomen.
Vooruitlopend aan de opleiding van deze speciale troepen kreeg de
Artillerie-inrichting Hembrug rond 1917 de aanbesteding voor het
maken van 50.000 stormdolken. In 1918 werd het wapen
daadwerkelijk geïntroduceerd bij de Stormtroepen, toen een apart
onderdeel van ieder infanteriebataljon. Het fenomeen stormtroepen
verdween uit de organisatie in 1924 en de dolken gingen in opslag.
In 1938 werden o.a. de mobiele eenheden RH en RHM er mee uitgerust.
Wat Nederland direct merkte van de oorlog waren de
vele vluchtelingen. Steuncomités voor deze vluchtelingen werden
opgericht. Deze moesten van onderdak worden voorzien en gevoed
worden. Militairen van de in oorlog zijnde landen werden
geïnterneerd en in kampen opgesloten.
Bosbooms gebrekkige communicatie met het parlement, alsmede
irritaties in den lande over de aanhoudende, kostbare mobilisatie en
over zich stierlijk vervelende soldaten met alle incidenten van
dien, schiepen allengs een sfeer waarin de minister en Kamerleden
zich steeds kregeliger tegenover elkaar opstelden. Daarbij kwamen
dan nog de spanningen tussen de betrokken verantwoordelijken
onderling.
Ook de geoefendheid liet te wensen over. Vandaar dat
de warme augustusdagen werden gevuld met dagmarsen van 40 Km. Verder
werd er vaak en veel geoefend. De rest van de tijd werd gevuld met
wachtlopen, poetsen en het in orde brengen van de uitrusting.
Inspecties werden vaak uitgevoerd door allerlei militaire instanties
en ook de Koningin liet zich daarbij niet onbetuigd.
De inkwartiering van de officieren leverden niet
veel problemen op. Dat van de manschappen wel. Liever had de
legerleiding dat een compagnie in een gebouw werd ondergebracht, dat
was makkelijk. Veel leegstaande en soms haveloze fabriekshallen
werden hiervoor gebruikt. De voorzieningen voldeden bij lange na
niet aan de geldende voorschriften. Ongedierte, ongemak en stank
achtervolgden de soldaten. Voor het gebruik van zo'n fabriekshal
werd betaald en er werd geld mee verdiend.
Aan de grens, waar de bewoners meestal zelf een armoedig bestaan
leefden, werden de soldaten ingekwartierd in grote schuren en
stallen en op steenkoude zolders onder een los pannendak.
Het uniform was niet zo uniform als het woord
aangeeft. Oudere lichtingen droegen nog het, wel of niet versleten,
donkerblauwe uniform, de nieuwere het veldgrijs.
Stalen helmen waren tot aan het einde van de oorlog nog steeds niet
voorradig.
Over het soldij werd natuurlijk geklaagd. Soldaten kregen ongeveer
16 cent per dag terwijl een sergeant toch al gauw fl 1.35
toucheerde.
Het verlof baarde hun ook zorgen. In 1914 kreeg elke soldaat één
dag verlof per tien dagen. De in de forten gelegerde soldaten kregen
één dag per week.
Over het algemeen was men in de hogere
officierskringen niet erg tevreden over het moreel van de
Nederlandse soldaat. Veel gevallen van desertie, veel gevallen van
insubordinatie.
Eén van de reden was dat de beroepsofficieren er nogal
conservatieve ideeën op na hielden welke frontaal botsten met de
antimilitaristische houding van het Nederlandse volk en daarmee de
min of meer socialistisch ingestelde dienstplichtige militair. De officieren, uitzonderingen daargelaten, zagen de door de regering
beschikbaar gestelde dienstplichtigen niet echt als een zelfdenkend
wezen maar meer als een werktuig.
De jaren 1917 en 1918 waren voor Nederland de
zwaarste uit de oorlog. De oorlogsmoeheid, de schaarste en
rantsoenering drukten de stemming en verhoogden de onvrede.
De prijzen hadden vlees al tot een luxe gemaakt, iets wat de
socialistische "Notenkraker" een wrang commentaar
ontlokte, "Als het varkensvlees even duur was als het
Kanonnenvlees, waren we uit de brand".
In juni 1917 breekt er in Amsterdam de
"aardappeloproer" uit. Reden; burgers haalden een
aardappelschuit leeg die bestemd was voor militairen. I-4R.I. werd
vanuit de Morschpoortkazerne te Leiden voor korte duur naar
Amsterdam bevolen. Winkels en pakhuizen werden geplunderd, een
demonstratie eindigde in onregelmatigheden. Er werd door de
militairen ingegrepen.
Toen de oorlogsdreiging in maart 1918
plotseling sterk toenam verzocht de minister-president aan gen.
Snijders om een onderhoud. Hij wilde het niet hebben over de
liberale verlofregeling, die de weermacht kwantitatief verzwakten,
ook niet over de tekorten aan mitrailleurs, gasmaskers, stalen
helmen, handgranaten en artillerie. Hij wenste duidelijke afspraken
met de generaal te maken die nodig waren om het leger voor te
bereiden op een mogelijke escalatie van het conflict. Tot de
ministers verbijstering zag Snijders de toestand somber in. Hij
noemde de verdediging van Nederland tegen een eventuele Duitse
aanval doelloos. Lt. gen. Pop, chef van de Generale staf, deelde die
mening. Later verklaarde de generaal dat hij had bedoeld
vruchteloos. In mei was de crisis gelukkig goeddeels afgewend.
Deze uitspraak van Snijders deed de regering besluiten zich van de
generaal te ontdoen. De koningin weigerde daar de Kroon nog steeds
alle vertrouwen in zijn functioneren had.
Het Bureau van de Generale Staf.
Voorste rij in het midden, Generaal C.J. Snijders, opperbevelhebber
van de Nederlandse Land- en Zeemacht.
Op 22 oktober 1918 verzocht Snijders de regering om
vijftigduizend man extra te mobiliseren en alle periodieke verloven
in te trekken. Hij was bang dat de terugtrekkende Duitse troepen
Limburgs grondgebied zouden schenden. De ministerraad ging akkoord
maar dan liet Snijders weten de extra mobilisatie niet nodig te
achten. De verstandhouding werd er niet beter door.
De verloven bleven echter ingetrokken en dit leidde op vrijdag 25
oktober bij 1R.I., in het legerkamp de Harskamp, tot een oproer.
Diverse gebouwen vielen ten prooi aan de vlammen en er vielen
schoten. In andere legerplaatsen was het ook onrustig. Snijders liet
de oproer in de Harskamp onderzoeken en kwam tot de conclusie dat de
algemene ontevredenheid als gevolg van mobilisatiemoeheid en de
slechte voeding de oorzaak was en waarbij de intrekking van de
verloven de emmer deed overlopen.
De ministerraad besloot tot een eigen onderzoek. Het had de schijn
dat men van gen. Snijders af wilde. Uit het onderzoek van de
ministerraad kwam naar voren dat de mentaliteit van het
officierskorps te ouderwets was en een zekere democratisering van
het leger hard nodig werd geacht. De minister meende dat Snijders
niet de aangewezen persoon was om deze hervormingen door te voeren.
De generaal wist genoeg en bood zijn ontslag aan.
Velen vonden het een wijs besluit. Lt. gen. Pop,
sous chef van de Generale staf, nam zijn functie over. Rechts
Nederland bleef tot lang na de oorlog hevig verontwaardigd.
Tijdens de oorlogsjaren heeft het er zelfs enige
malen om gespannen of Nederland toch niet de kant van de Duitsers
zou kiezen. Opperbevelhebber generaal C.J. Snijders was daar een
verklaard voorstander van. Steeds opnieuw ruziede hij daarover met
de regering, die strikt de neutraliteit wilde handhaven. Het is
eigenlijk verbazingwekkend dat de Nederlandse regering deze
pro-Duitse generaal niet gewoon de laan uitstuurde. De enige reden
daarvoor was dat koningin Wilhelmina, toentertijd 35 jaar oud, bij
die conflicten consequent de zijde van haar opperbevelhebber koos.
De heersende Spaanse griep was voor de regering een
reden te meer om na de wapenstilstand van 11 november zo snel
mogelijk te demobiliseren. Zij voelde er weinig voor om
verantwoordelijk te zijn voor de vele ziekte en sterfgevallen onder
de gemobiliseerden. Op 12 november maakte de minister van Oorlog
bekend dat 122.000 van de 237.000 man naar huis mochten.
Bij de mobilisatie in 1914 was er een slechte ervaring opgedaan met
de meegegeven uitrusting van de militairen. Toen was gebleken dat de
meegegeven uitrusting, waarmee men weer in dienst kwam, in slechte
staat verkeerde. Daarom was besloten de uitrusting niet meer mee te
geven aan de gedemobiliseerden. De inname liep spaak en uiteindelijk
kregen de grootverlofgangers twee paar schoenen mee naar huis. Om
het burgergebruik te ontmoedigen waren de schoenen verzegeld.
Door de schaarste die er heerste waren alle spullen waardevol
geworden. De afgezwaaide militairen maakten er dankbaar gebruik van.
***
De demobilisatie in 1918 bracht,
onder de druk van de bezuiniging, en van de verwachtingen van de
"Volkenbond", die vooral in pacifistische kringen
gekoesterd werden, een snelle afbraak van de weermacht.
>Raadpensionaris Johan de Witt schreef
al in een brief aan Pieter de Hoogh in de 17e eeuw: [5]
-
"Want de aerdt der
Hollanders is soodanigh, gelijck U.Ed. mede ten beste bekend is,
dat als haer de noodt en de periculen niet seer claer voor oghen
comen, sij gheenszins ghedisponeert connen worden om naer
behooren te vighileeren voor haar eijgen securiteijt.<
Bezuinigingen; een aan de Nederlander
wel zeer bekend verschijnsel, maar we zijn pas in het tweede
decennium van 1900.
*
De mobilisatie zou 25 jaar later weer herhaald
worden en het zou nagenoeg een kopie zijn van de eerste, inclusief
de zo geprezen neutraliteit, de bewapening, de mentaliteit en de
tegenstander. Men had er wel van geleerd, maar men had er geen geld
voor over om een herhaling te voorkomen.
Voorspel