![]() |
Vliegveld Valkenburg |
Mei 1940 |
| Home | Vóór de Oorlog | Bevelvoering | 4e Regiment Infanterie | Mei 1940 | Verliezen | Documenten | Verdere informatie |
|
|
Als krijgsgevangene in en om Valkenburg. Oorlogsherinnering van Berend Borst. BRON: © OSV-4R.I. Hoofdstuk 7 |
Jong gestorven Vroeg bij God. Als krijgsgevangene in en om Valkenburg. Ter herinnering aan Jan Varkevisser Jz. |
|
In het veldlazaret In de garage konden wij waarnemen dat de strijd
hoofdzakelijk in het dorp plaats vond. Wel vlogen voortdurend kogels over
en langs de garage en kwam een enkele granaat dicht bij ons maar wij zaten
niet meer in het midden van het gevecht. Wij merkten dat het geweld zich steeds meer naar de garage toewerkte, de vijand werd vermoedelijk nog verder teruggedreven. In het garagedak kwamen gaatjes die de kogels er in boorden, ook de grote deuren ontkwamen daar niet aan. Telkens moest een ruitje het ontgelden. Het werd hier veel gevaarlijker dan in de kerk met zijn dikke muren. Plotseling hoorden wij motorgeronk, het waren vliegtuigen. Zouden het Nederlandse zijn? Maar al gauw zagen wij dat het Duitse toestellen waren. Wat kwamen die doen? De machines vlogen laag. De Duitsers die in de bloeiende bollenvelden in stelling lagen wuifden naar de vliegtuigen. Nu zagen wij grote bommen uit de toestellen vallen. Wat? Gingen zij bombarderen op hun eigen soldaten? Maar het bleek geen gewone bommen te zijn want er ontplooiden grote parachutes aan. Langzaam daalden de gevaarten. Wij vermoeden dat de vijand munitie en levensmiddelen toegeworpen werd. Dat vonden wij niet prettig want we hadden gehoopt dat de Duitsers uitgeput zouden raken, maar daar was nu geen kans meer op. Ondertussen ratelden de mitrailleurs als bezetenen, de Nederlandse soldaten namen de vliegtuigen onder vuur doch zij verdwenen weer na hun lading uitgeworpen te hebben.
Luchtfoto van 22 jan. 1940 van het gebied ten zuiden van het dorp Valkenburg. Mijn vrienden zeiden dat ik weigeren moest maar dat zou
toch niet baten. Zo gingen wij dan met de zware last op weg. Ik dacht aan
mijn vorige gewonden transport op het vliegveld. Wat zou mij nu te wachten
staan? een Duitse soldaat ging ons voor met een witte lap aan een stok
welke hij in de hoogte hield, dat moest ons als Rode-Kruisvlag beschermen. Twee Rode Kruis vlaggen wapperden vrolijk in het
voorjaarszonnetje op een boerderij en een op een schuur. Nu begrepen wij
dat die boerderij dienst deed als hospitaal dus een zgn. Veldlazaret. Ondertussen hadden wij vieren een groepje burgers gezien in een hoek van de deel. Wij gingen naar hen toe en maakte kennis met hen. Het waren de eigenaar van de boerderij, van Leeuwen, zijn knecht Geert, zijn buurman van Egmond met zijn vrouw en ongeveer 14 jarige dochtertje, J de Roode, een Valkenburger en een arbeider. De vrouw en de kinderen van boer van Leeuwen waren ergens in de omtrek van het dorp, de boer verkeerde in onwetendheid en was ongerust over hen. Hij vertelde dat de Duitsers zijn boerderij in beslag genomen hadden om de gewonden in onder te brengen. hijzelf moest zich tevreden stellen met een plaatsje op de deel, welke hij deelde met de burgers die hier hun toevlucht hadden gezocht. Alleen de voorkamer lieten de Duitsers met rust. De rest van de boerderij die zo goed als nieuw was namen de Duitsers. Er waren ook enkele Nederlandse militairen in de boerderij nl. 2 hospitaal soldaten en 3 infanteristen, in het geheel dus 9 Nederlandse soldaten met ons vieren inbegrepen. Ik was de enige artillerist. Wij voelden er veel voor om in dit lazaret te blijven maar
er werd ons gezegd dat we met het invallen van de duisternis weer naar de
garage werden gebracht. Dat was een tegenvaller want hier was het veel
veiliger en konden op stro slapen. Bovendien hadden we alle kans dat wij
hier genoeg konden eten. Wij hoopten dat er 's avonds niet meer aan ons
gedacht zou worden. Om de boerderij was het veel rustiger dan bij de kerk en de garage, wel vlogen de kogels over het huis, maar dat was niets vergeleken met wat wij al hadden meegemaakt hadden in de dagen die wij achter ons hadden. Het was en bleef betrekkelijk rustig want granaten kwamen niet tot de boerderij al werd door een enkele wel eens een poging gedaan om het tot zover te brengen. Toch was het verblijf in het hospitaal verre van aanlokkelijk. Hier zagen wij de oorlog weer van een andere kant. De gewonde soldaten lieten ons zien welk een leed oorlog aan gezonde jonge kerels kon aanbrengen. Daar lagen zij ernstig en minder ernstig gewond. De een met een glimlach over het gelaat, de ander met een van pijn vertrokken gezicht. Toen wij eens tussen de gewonde door liepen zagen wij dat
de meesten aan handen en benen gewond waren. Ook lag er een Nederlandse
soldaat tussen de Duitsers. Wij zijn een tijdje bij hem gaan zitten.
Hij vertelde ons dat hij door een kogel getroffen was en wel op een
wonderlijke manier. Toen hij in de stelling lag had hij zijn zakken vol
patronen, ook de borstzakken. Nu had hij het ongeluk dat een kogel een der
borstzakken trof. De kogel stuitte af op de daarin zijnde patronen.
Hierdoor kwam er een van tot ontploffing. Die kogel uit zijn borstzak
verwondde hem! Met de burgers kregen wij ook wat te eten, het was brood
wat wij ons best lieten smaken. Het was langzamerhand avond geworden, de
duisternis viel in en wij zochten een plaatsje op stro en waren dankbaar
dat wij nu heerlijk konden liggen, al was het dan ook zo geestelijk
versterkt, iets, dat wij zo nodig hadden in deze bange dagen. Voor de gewonde Nederlandse soldaat zorgden wij ook
geregeld, waarvoor hij zeer dankbaar was.
Dinsdag 14 Mei. Weer werden wij 's morgens heel vroeg gewekt. Wat moesten we nu doen? Gewonden halen? een Duitser gelastte ons hem te volgen. Wij kregen elk een pioniersschopje dat niet veel groter was dan een kinderschopje. Daarmee gingen wij mee achter de boerderij. Daar beduidde de Duitser ons dat we 2 kuilen moesten graven. Daar zouden Duitsers in begraven worden die in het lazaret waren overleden. Eerst probeerden wij of we onder struikgewas konden graven, dat ging niet met die onhandige schopjes, dus moesten wij het ergens anders proberen. Nu gingen we achter de boerderij in de weide naast de mestvaalt graven. Daar ging het wat beter. Toch bleef het een moeilijk karweitje, vooral om de graszoden los te krijgen en daarbij lagen wij op onze knieën. De Duitsers spoorde ons aan om op te schieten want hij was bang dat het gevecht weer geopend werd. Dan waren wij daar niet meer veilig. Een van ons had het ongeluk om de steel van het schopje te breken. Nu konden we maar met z'n tweeën doorgraven. 't Was geen prettig werkje om daar in dat weiland twee graven te delven. De Duitser was erg secuur op ons werk. De kuilen moesten precies rechthoekig worden en even groot. Om de lengte te bepalen ging een van ons even in de kuil liggen. Eindelijk waren we gereed. Nu werden de doden door ons opgehaald, deze lagen in een schuurtje, overdekt met een paar zakken. Het was lastig om de lijken behoorlijk weg te dragen, we moesten ze zo maar opnemen... Met hun volledige uniform aan legden wij hen in de kuilen, elk kreeg een zak over zijn hoofd. Toen het zo ver was nam de Duitser zijn helm af en beduidde ons dat wij ook tot stilte moesten inkeren. Dat deden we uit ons zelf al wel uit eerbied voor de doden. Zij waren toch ook mensen van Gods schepping, zij hadden hier hun dood gevonden, ver van hun familie en vaderland. Wat het eigenlijk was wat wij hier deden drong niet tot ons door. Wat waren doden? Waarom was dit gebeurd? Had dit wat wij hier verrichten ook niet ons te beurt kunnen vallen? Nu stonden wij aan het begin van de vijfde oorlogsdag en wat zou die voor ons worden? Vier lange dagen heeft dood en verderf rondom ons gezworven. In die dagen was ons gevoel afgestompt, doden hadden voor ons geen betekenis meer. Wij zagen hen alsof het planken waren. De kuilen werden dichtgeworpen. Intussen ging de Duitser een paar kruizen halen die al klaar gemaakt waren. Deze waren gemaakt van een paar over elkaar getimmerde latten waarop de namen van de doden met potlood geschreven stonden. Met stipte nauwkeurigheid plaatste hij de kruizen op de graven. Hier op dit plekje weiland achter de boerderij werd getuigenis afgelegd van de ellende die de oorlog bracht. De volgende dag zijn er nog 2 Duitse soldaten naast begraven maar daar heb ik niet aan meegeholpen. Later, na de oorlog, zijn de vier lijken weer opgegraven en elders overgebracht. Ondertussen waren er alweer enige schoten gevallen en al gauw had de strijd zich weer hervat. Mitrailleurs ratelden, geweren knalden, kogels floten, granaten gierden weer om in een ontploffing te eindigen. De oorlog woedde weer gelijk de vorige dagen. eerst ging het het nog wat traag maar het duurde niet lang of de strijd had weer zijn volle omvang bereikt. In het hospitaal waren we nog betrekkelijk veilig al vlogen de kogels dan ook fluitend om de boerderij doch granaten bleven op een behoorlijke afstand, uitgezonderd een enkel die angstig dichtbij kwam. Over het algemeen zijn de dagen in het hospitaal voor mij niet zo gevaarlijk geweest als de vreselijke dagen op het vliegveld en in de kerk maar dat het geheel veilig was kan ook niet gezegd worden, daarvan getuigd het volgende hoofdstuk. In de loop van de dag werden er geregeld gewonden gebracht, de deel kwam vol te liggen. Er werd ook een kamertje in gebruik genomen om de gewonden neer te leggen. Om nog meer plaats te krijgen werd aan de burgers en aan ons, de krijgsgevangenen, gezegd, dat we ons hoekje op de deel moesten verlaten om naar boven op een slaapkamertje te verhuizen. Dat stond ons niet aan want boven was het veel gevaarlijker, daar misten wij de bescherming van muren. Maar er zat niets anders op dan te gehoorzamen en daarom brachten wij stro naar boven om dat op de vloer uit te spreiden. Overdag bleven wij zoveel mogelijk beneden, dat was wel zo veilig. Bij de gewonden die op deze dag gebracht werden waren ook enkele Nederlandse soldaten doch zij waren niet ernstig gewond. een der Duitse gewonden was waarschijnlijk niet goed meer bij zijn verstand. Hij was gewond aan zijn been maar kon geen moment rustig liggen. Meestal liep hij steunend op een stok tussen de anderen door en zong en floot het hoogste lied terwijl de andere gewonden vergingen van de pijn. Dikwijls imiteerde hij het fluiten van de kogels waardoor zijn collega's angstig ineen kropen. In de namiddag tegen 6 uur werd het gevecht om Valkenburg onverwacht minder, enkele schoten vielen nog, het artillerievuur staakte. Wat had dat te betekenen? Het was lang nog niet duister, daarom hoefde het gevecht niet gestaakt te worden. Van de Duitsers vernamen wij wat er gaande was. Nederland had gecapituleerd, het Nederlandse leger had de wapens neer moeten leggen. Vijf dagen had de Koninklijke Landmacht zich met hand en tand verdedigden zou nu van hoger hand de order gekomen zijn dat de strijd opgegeven moest worden en de vijand de overwinning te geven? Ja, dit was maar al te waar! Maar dat de Hollandse soldaten hun wapens neer moesten leggen was geen nederlaag en de overweldiger had op Nederland geen overwinning behaald. Met zo'n geweldig leger waar 7 jaar aan gewerkt was kon gemakkelijk een overwinning behaald worden op een leger als het Nederlandse dat nog maar in het beginstadium was van wat zij worden moest. En toch heeft de vijand 5 lange dagen tegen ons moeten strijden. Dat was een prachtige prestatie van ons leger. Daarbij was de vijand begeleid met een machtige luchtvloot die op vele plaatsen in ons land landde en die duizenden parachutisten heeft uitgeworpen, een strijdmiddel voor ons nog zo goed als onbekend, parachutisten in Nederlands uniform! Bovendien het vuilste en het laagste verraad wat men zich maar kan indenken, getuige de Rijnaken in Valkenburg. Verraad, waar vel Nederlanders zich schuldig aan gemaakt hebben en die nu rondliepen als "vaderlanders". die van ons een ideaal zullen maken! Toch heeft dat geweldige leger met zijn parachutisten en landverraad het Nederlandse leger er niet onder kunnen krijgen. Daarbij moest nog het onmenselijke bombardement op Rotterdam dinsdagsmiddags de doorslag geven. Een bombardement dat zijn weerga niet kent in de gehele wereldgeschiedenis van laaghartige lafheid. De kroon op dit alles werd gezet door de bedreiging dat ook andere grote steden gebombardeerd zouden worden indien Nederland de wapens niet neerlegde. Generaal winkelman heeft toen het onvermijdelijke moeten beslissen: Nederland moest capituleren. Het werd rustig om Valkenburg, dat deed vreemd aan want het was al zo'n gewoonte geworden dat de strijd pas bij het invallen der duisternis ophield. Nu was het nog helder dag al begon het tegen de avond te lopen. Met een infanterist samen moest ik onder geleid van een Duits hospitaalsoldaat een gewonde gaan halen. Wij gingen weg in de richting van Valkenburg, dwars door de bollenvelden en bouwland. Wij kwamen dicht bij de garage waar ik geweest ben voordat ik naar de boerderij moest met de gewonde. Zouden de andere krijgsgevangenen nog in de garage zijn? Hoe zouden zij het maken? Dat zou ik graag willen weten. Doch ik kreeg geen kans om even in de garage te kijken. Wat zouden mijn vrienden van mijn wegbleven denken? Zij konden niet weten dat ik goed overgekomen was. Toen ik de garage verliet om die gewonde Duitser naar het hospitaal te brengen. Wij liepen nog verder tot we tussen de buitenste huizen van Valkenburg kwamen. Nu kon ik voor 't eerst zien wat hier vernield was. Geen huis was ongeschonden gebleven, alle vertoonden zij kogelgaten in de muren, deuren en kozijnen en vernielde ruiten. Ook waren er grote gaten in verschillende huizen, veroorzaakt door ontplofte granaten. Hier waren wij op de rand van het dorp. Hoe zou de kerk eruit zien? De ons begeleidende Duitser vroeg aan zijn collega's die overal nog waren waar de gewonde was, maar we vernamen dat er niet eens een gewonde in de omgeving was. De hospitaalsoldaat ging met de anderen praten die voor een huis naar een radio zaten te luisteren. Zij hadden een Duitse zender aan. Hierdoor werd juist bekend gemaakt dat Nederland gecapituleerd had. Dit vertelde de Duitser ons en we konden hem wel zo ongeveer verstaan. Hierna gingen zij druk aan het praten en vonden het nodig om de Nederlandse soldaten voor 'zwijnhonden' uit te schelden omdat zij onbarmhartig op Valkenburg gevuurd hadden. Hierop zeiden wij maar niets want wij wisten maar al te best wie de hoofdschuldige daarvan was. De Duitsers waren best in hun humeur nu de strijd afgelopen was en zij niet meer in het granaten bombardement waren Wij krijgsgevangenen waren dankbaar dat deze moordpartij afgelopen was waar we 5 lange dagen machteloos in gezeten hadden. Voor hen die deze onvergetelijke dagen in loopgraven en stellingen hebben gelegen om de Nederlandse vrijheid en onafhankelijkheid te beschermen was het een grote teleurstelling om nu zomaar aan de vijand overgegeven te worden. Honderden dappere verdedigers waren in deze ongelijke strijd gebleven en hoevelen waren er voor hun gehele leven verminkt en invalide geworden? De capitulatie was voor die mannen wel heel erg hard. Wat zou er nu met ons land en volk gebeuren? Wij zullen nu door de Duitsers geëerd worden en ons land zal door hen militair bezet worden. Wij zullen onze vrijheid moeten missen en wat zal ons nog meer worden ontnomen? Wij vernamen nu ook dat het Vorstenhuis en de Regering naar Engeland waren uitgeweken. Wat moesten wij daarvan denken? Had de Koningin niet kort geleden gezegd dat zij aan de zijde van het volk zou blijven, wat er ook moge gebeuren? Waarom was zij van ons weggegaan terwijl duizenden jonge mannen hun leven stelden in dienst van ons Vaderland? Waarom was zij vertrokken terwijl haar volk in nood verkeerde? Dat de Prinses met haar dochtertjes waren gevlucht was te billijken maar waarom de Koningin dan toch? En waarom de regering? Hun vertrek zou toch het hele volk teleurstellen! Later vernamen wij waarom zij gegaan waren en nu weten wij, nu voelen wij dat hun vertrek de juiste weg was. Nu zijn de Koningin en Prins Bernhard met de regering in Londen waar zij met het gedeelte der Nederlandse Landmacht, in het bijzonder de vloot, de strijd met Engeland en andere volken die onderdrukt worden door de tyrannie, de strijd tegen de barbaarse vijand voort te zetten. De Koningin is nu gescheiden van haar vaderland en volk
dat zij langer dan 40 jaar geregeerd heeft onder zeer moeilijke
omstandigheden maar nu in grootste moeilijkheden die men zich kan
indenken. Zij is verwijderd van haar dochter en kleinkinderen. Zij
verblijft in Londen, voor ons een symbool van moed en vertrouwen, een
geruststellende gedachte voor een volk in een bezet Vaderland. Wij stonden nog bij de Duitsers in Valkenburg, zij praten
en lachten en vonden het zinloos dat de Hollanders tegen de Duitsers
verzet hadden, hun leger was toch onoverwinnelijk! Zij beschimpten de
Koningin en de Regering omdat zij gevlucht waren. Wat konden wij daartegen
aanvoeren? Niets, en dat was maar goed ook , later wisten wij beter. Wij hoorden in de verte appél blazen. Dat was voor de Nederlandse soldaten het teken dat zij uit hun stellingen moesten komen en zich verzamelen. Zij moesten hun taak afbreken nu juist op het ogenblik dat zij oorlogservaring kregen. Voor hen was de capitulatie buitengewoon teleurstellend want de vijand had het bij Valkenburg niet lang meer uit kunnen houden als er geen hulp was komen opdagen. Toen wij in de Boerderij-hospitaal weer terug kwamen waren
de burgers en de gewonden veel opgewekter nu de strijd ten einde was die
Valkenburg in een hel had geschapen. De vrouw van van Egmond en haar
dochtertje verlieten de boerderij om ergens anders onderdak te vinden waar
het beter was dan hier bij al die gewonden waar er nu ongeveer 50 lagen.
Er kwamen ambulance-auto's die de zwaarst gewonden ophaalden om naar een
ziekenhuis te brengen.
Woensdag 15 mei. (Het dagboek vermeld hier abusievelijk, "Dinsdag 14 Mei".) De gruwelijke en onvergetelijke dagen waren voorbij maar
nu moesten we nog afwachten hoe lang we nog krijgsgevangen zouden zijn. Langzamerhand werden alle gewonden vervoerd behalve een paar licht gewonden die lopend patiënt waren. De gewonde die nog gehaald moest worden lag in een huis niet ver van het hospitaal af. Het was nog schemerig en de Duitse soldaten in dat huis deden zo geheimzinnig en zenuwachtig dat je er kriebel van werd. Dat gewondentransport verliep goed want wij hoefden niet meer bevreesd te zijn voor de strijd die nog beginnen zou. Zo was het de vorige dag maar nu was het afgelopen en bleef het stil. Na het ophalen van die gewonde ging ik eens bij boer van Leeuwen kijken die met zijn knecht Geert de koeien melkten. Deze dieren hebben het ook zwaar te verduren had. In de 5 dagen waren zij maar een enkele keer gemolken en dat gebeurde dan te middernacht. Alle koeien liepen dan ook met strak gespannen uiers. Ik heb ook geholpen met melken van 5 koeien, een andere krijgsgevangene hielp ook mee. De melk gebruikten de achtergebleven Duitsers. Een aantal koeien en paarden zijn door kogels gedood. Overal lagen de kadavers die door werklieden werden begraven. De zgn. bommen die aan parachuten werden gedaald moesten door ons opgehaald worden. Zij waren erg zwaar en in de meeste zaten levensmiddelen en in andere verbandstoffen en munitie waaronder zelfs handgranaten. Die bommen waren ongeveer 1.50 m lang. Verder hebben wij het erf om de boerderij opgeruimd en aangeveegd. De boerderij was op een paar kogelgaten na geheel ongeschonden gebleven waarvoor de boer erg dankbaar was. Veel boerderijen zijn erg beschadigd. Onder het vegen vond ik een afgeschoten kogel waarvan de punt een weinig beschadigd was. Ik liet hem aan de andere krijgsgevangenen zien, een er van liep met zijn arm in een draagdoek omdat hij in zijn schouder een schampschot had. Hij vroeg mij of hij de kogel mocht hebben waarop ik hem het kleinood gaf. Later in het krijgsgevangenkamp zag ik hem tegen anderen opsnuiven dat hij die kogel, die hij trots toonde, in zijn arm had gehad. De dag ging met verschillende bezigheden voorbij. De volgende dag, Donderdag 16 mei maakten wij de tijd ook kort met allerlei kleinigheden. Wij konden en mochten ons nu verder van de boerderij verwijderen en gingen bij het graven van grote kuilen, die door arbeiders werden gemaakt, kijken. Daarin werden de gedode koeien begraven. Wij zagen dat de Duitsers de mitrailleur rondom de boerderij verwijderden. Ook het ontvangst en zendtoestel werd uit het schuurtje gehaald. Evenals de vorige dagen wasten wij ons lekker waarvan we
heerlijk opknapten, want gebrek aan dekens hielden wij het uniform aan,
dag en nacht, nu een week lang. Op de duur werd het erg onfris. Scheren
deden wij ons met het scheermes van Geert, de knecht van van Leeuwen. Enige tijd later kwam er een vrachtauto aanrijden waarop ook enkele krijgsgevangenen waren. Onder hen was een mijner vrienden, nl. Wielaard. Ik kende de Hagenaar bijna niet meer, zo zag hij er uit. Op de vrachtauto werden enkel dingen geladen. Er werd tegen de krijgsgevangenen, die op de boerderij waren, gezegd dat allen nu met de auto mee moesten. Dus eindelijk konden wij weer bij de andere krijgsgevangenen komen. Wij namen hartelijk afscheid van boer van Leeuwen en de anderen, namen daarna plaats op de auto en verlieten de boerderij. Met Wielaard besprak ik de gebeurtenissen van de laatste dagen. Hij vertelde mij dat zij in verbinding waren met onze batterijcommandant, Kapitein van Hemert. Zij hadden gemeld dat Huub Heestermans gesneuveld was en mij als vermist opgegeven omdat ik vanaf zondagmiddag niet meer bij mijn vrienden was geweest en zij niet wisten waar ik eigenlijk was. De andere krijgsgevangenen waren die dagen bij elkaar in de grage gebleven. Vanaf dinsdagmiddag zagen wij in zuidelijke richting een grote rookwolk aan de horizon aftekenen. Dat was brandend Rotterdam. Zelfs vanaf zo'n grote afstand Rotterdam-Valkenburg was de brand nog goed te waar te nemen. << 6e Hoofdstuk | 8e Hoofdstuk >> |